Titel: Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering
Aard document: Besluit Vlaamse Regering
Datum document: 24/07/2009
Datum publicatie BS: 10/08/2009
Download Worddocument

Besluit van de Vlaamse Regering tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering

Officieuze coördinatie

De Vlaamse Regering,


Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 68, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2001 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2001, 19 juli 2002, 29 oktober 2004, 16 december 2005, 29 juni 2007 en 23 november 2007;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 24 juli 2009.;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de naleving van het regeerakkoord, wat betreft de afslanking van de kabinetten, en de onmiddellijke impact ervan op de organisatie van de kabinetten, van bij de opstart van de kabinetten moet worden verwezenlijkt;

Overwegende dat de nieuwe bevoegdheidsverdeling binnen de Vlaamse Regering, noopt tot aanpassingen in het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het regeerakkoord, de goede werking van de kabinetten en de continuïteit van de Vlaamse Regering;

Op het gezamenlijk voorstel van de leden van de Vlaamse Regering;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I Bevoegdheden

Art. 1.

§ 1. De bevoegdheden van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering zijn de volgende :

1° advies verlenen over de functionele bevoegdheden van het lid van de Vlaamse Regering en over die aspecten van het regeringsbeleid, waar de regering collegiaal over beslist;

2° advies verlenen over de inhoudelijke voorstellen van de administratie op het vlak van beleidsondersteuning en op het vlak van aansturing en opvolging van de beleidsuitvoering;

3° advies verlenen over aangelegenheden die invloed kunnen uitoefenen op het algemeen beleid van de Vlaamse Regering of op de werkzaamheden van het Vlaams Parlement;

4° verzorgen van het secretariaat van het lid van de Vlaamse Regering en de behandeling van de persoonlijke briefwisseling van het lid van de Vlaamse Regering;

5° instaan voor het woordvoerderschap inzake het beleid van het lid van de Vlaamse Regering.



§ 2. De samenwerking tussen Vlaamse Regering en administratie, op het vlak van taken en verantwoordelijkheden, informatie-uitwisseling en woordvoerderschap, wordt geconcretiseerd in een generiek afsprakenkader, dat door elk lid van de Vlaamse Regering kan worden aangevuld met specifieke praktische werkregelingen.

HOOFDSTUK II Samenstelling van de kabinetten

Afdeling 1 Algemene bepalingen

Art. 2.

Bij de indienstneming op een kabinet zal gestreefd worden naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen.

Art. 3.

De leden van de Vlaamse Regering beschikken over een kabinet dat bestaat uit stafleden, uitvoerend personeel en aanvullend personeel.

Art. 4.

De personeelsleden van de kabinetten kunnen gedetacheerd of aangesteld worden.

Art. 5.

Met uitzondering van de personeelsleden van de onderwijsinrichtingen georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, van de universitaire ziekenhuizen en van de provinciale en lokale besturen, mogen de personeelsleden van de openbare diensten, aangewezen om deel uit te maken van een kabinet, noch hun betrekking, noch de bevoegdheden ervan verder blijven uitoefenen.

In geen geval mogen medewerkers door werkgevers kosteloos ter beschikking worden gesteld van een kabinet van de Vlaamse Regering.

Afdeling 2 Stafleden

Art. 6.

§ 1. Voor de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in artikel 1, kan een beroep worden gedaan :

1° bij het kabinet van de minister-president, en met uitsluiting van het bepaalde in 3°, op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet van de minister-president;
b) één kabinetschef, belast met de inhoudelijke beleidsmateries van de minister-president;
c) één woordvoerder;
d) één privé-secretaris;
e) één kabinetssecretaris;
f) zestien raadgevers;

2° bij het kabinet van een viceminister-president, en met uitsluiting van het bepaalde in 3° en het bepaalde in § 2, op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet van de viceminister-president;
b) één kabinetschef, belast met inhoudelijke beleidsmateries van de viceminister-president;
c) één woordvoerder;
d) één privé-secretaris;
e) één kabinetssecretaris;
f) zestien raadgevers;

3° bij het kabinet van een Vlaamse minister op :
a) één kabinetschef, belast met de algemene leiding van het kabinet;
b) dertien raadgevers voor de beleidsondersteuning, voor de functie van kabinetssecretaris en/of privé-secretaris en voor het woordvoerderschap;

§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, 3° kunnen negen stafleden verdeeld toegewezen worden aan een Vlaams minister in functie van de bevoegdheidsverdeling binnen de Vlaamse Regering.

§ 3. De minister-president en de viceminister-presidenten kunnen aan vijf raadgevers de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen.

De Vlaamse minister kan aan twee raadgevers de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen. In functie van een correcte vervulling van de toegewezen bevoegdheden kan een minister mits toelating minister-president bijkomend één raadgever de functie van adjunct-kabinetschef toevertrouwen.

Het lid van de Vlaamse Regering kan één raadgever belasten met een bijzondere en tijdelijke opdracht van een dergelijk niveau, dat de gelijkstelling van deze functie met de rang van kabinetschef toegelaten is.

Afdeling 3 Uitvoerende personeelsleden

Art. 7.

Bij het kabinet van de minister-president en de viceminister-presidenten bestaat het uitvoerend personeel uit maximaal vijftien personeelsleden, met uitsluiting van het bepaalde in het tweede lid.

Bij het kabinet van de Vlaamse minister bestaat het uitvoerend personeel uit maximaal negen uitvoerende personeelsleden.

Art. 8.

Binnen de perken van de kabinetsbegroting kunnen de leden van de Vlaamse Regering een functie van uitvoerend personeelslid omzetten in een functie van staflid.

Afdeling 4 Aanvullende personeelsleden

Art. 9.

Bij het kabinet van de minister-president en de viceminister-presidenten bestaat het aanvullend personeel uit maximaal vijf personeelsleden, met uitsluiting van het bepaalde in het tweede lid.

Bij het kabinet van de Vlaamse minister bestaat het aanvullend personeel uit maximaal drie personeelsleden.

Mits een gemotiveerd besluit van de minister-president kan een viceminister-president functies van aanvullend personeelslid afstaan en toewijzen aan een kabinet van een Vlaamse minister.

Ambtenaren van niveau A en titularissen van gelijkwaardige graden die behoren tot andere openbare diensten of tot de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen, mogen geen deel uitmaken van het aanvullend personeel.

Art. 10.

Binnen de perken van de kabinetsbegroting kunnen de leden van de Vlaamse Regering een functie van aanvullend personeelslid omzetten in een functie van staflid of uitvoerend personeelslid.

Art. 11.

Voor het vervullen van facilitaire ondersteunende taken (schoonmaak, onthaal, catering, verzending, ICT, economaat, vervoer, ...) kunnen de leden van de Vlaamse Regering een beroep doen op personeelsleden uit de Vlaamse administratie, in overleg met de betrokken leidend ambtenaar en in overeenstemming met de bepalingen van het Vlaams Personeelsstatuut.

Afdeling 5 Tijdelijke ondersteuning uittredende ministers

Art. 12.

Bij het kabinet van de minister-president wordt een cel opgericht waarbij per uittredend lid van de Vlaamse Regering dat geen ministeriële functie meer uitoefent, noch deel uitmaakt van een wetgevende vergadering, in een medewerker wordt voorzien gedurende maximaal twee jaar te rekenen vanaf de datum van het beëindigen van de functie in de Vlaamse Regering.

Het salaris van de medewerker van een uittredend lid van de Vlaamse Regering mag de salarisschaal A212 niet overschrijden.

De medewerkers van deze cel maken deel uit van het kabinet van de minister-president, maar worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal stafleden en leden van het uitvoerend en aanvullend personeel waarover de minister-president volgens artikel 6, § 1, 1°, artikel 7, eerste lid, en artikel 9, eerste lid, kan beschikken.

HOOFDSTUK III Werking

Art. 13.

Het lid van de Vlaamse Regering benoemt en ontslaat de personeelsleden van het kabinet.

De benoeming en het ontslag van de kabinetschef en de adjunct-kabinetschef worden bij mededeling ter kennis van de Vlaamse Regering gebracht.

Art. 14.

De kabinetschef kan door het lid van de Vlaamse Regering dat de betrokkene benoemt en ontslaat, gemachtigd worden de eretitel van zijn ambt te voeren, op voorwaarde dat hij dat ambt in een kabinet van de Vlaamse Regering gedurende ten minste twee jaar heeft waargenomen.

Art. 15.

De kabinetschef of de adjunct-kabinetschef zendt de instructies en nota's van het lid van de Vlaamse Regering aan de departementen of de verzelfstandigde agentschappen door via hun respectievelijke leidend ambtenaar.



In zeer dringende gevallen of bij gebruik van e-mail kan hij van deze regel afwijken, voor zover hij de betrokken leidend ambtenaren onmiddellijk en ook schriftelijk, hetzij via dezelfde e-mail op de hoogte brengt.

[HOOFDSTUK III/1 Interne werking (ing. BVR 1 april 2011, art. 1)]

Art. 15/1.

§ 1. Dit artikel voorziet in de omzetting van Richtlijn 91/533/EG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever om de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsverhouding van toepassing zijn.

§ 2. Het lid van de Vlaamse Regering, hierna de werkgever te noemen, stelt voor het personeel van zijn kabinet een informatiedocument op waarin de belangrijkste elementen van de arbeidsverhouding zijn vervat.

Het model van het informatiedocument, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering.

De werkgever brengt het informatiedocument schriftelijk ter kennis van zijn personeel, of deelt schriftelijk de plaats mee waar het kan worden geraadpleegd.

Door de werkgever aangebrachte wijzigingen aan het informatiedocument worden eveneens schriftelijk ter kennis gebracht van het personeel, of de werkgever deelt schriftelijk de plaats mee waar het kan worden geraadpleegd.

Art. 15/2.

De secretaris-generaal van het departement Kanselarij en Bestuur neemt de juridische beslissing met betrekking tot de erkenning van arbeidsongevallen en van ongevallen op de weg naar en van het werk, en met betrekking tot de toekenning van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, wat betreft de personeelsleden van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering. Hij kan de bevoegdheden, die hem in dit besluit zijn toegewezen inzake arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten delegeren aan een andere lijnmanager van een entiteit van een Vlaams ministerie.

HOOFDSTUK IV Financieel statuut

Afdeling 1 Algemene bepalingen

Art. 16.

De loonlast van het personeel van de kabinetten wordt aangerekend op de kabinetsbegroting.

Art. 17.

Binnen de perken van de kabinetsbegroting wordt het salaris van het gedetacheerd en aangesteld kabinetspersoneel vastgesteld bij de aanwerving.

Art. 18.

Het salaris van het personeel van de kabinetten wordt maandelijks na vervallen termijn uitbetaald.

Art. 19.

De salarissen zijn aan 100 % en volgen de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en onverminderd artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.

De bedragen tegen 100 % worden gekoppeld aan het indexcijfer 138.01 (102.02).

De maandbedragen zijn gelijk aan 1/12 van de jaarbedragen.

Wanneer het maandbedrag niet volledig verschuldigd is wordt het gedeeltelijk uitbetaald overeenkomstig de regeling die in de diensten van de Vlaamse overheid van toepassing is inzake de betaling van het gedeeltelijk maandsalaris.

Afdeling 2 Terugbetaling aan de instelling van herkomst

Art. 20.

§ 1. De geldelijke toestand van de personeelsleden van een kabinet die behoren tot een ministerie, een andere openbare dienst of een gesubsidieerde onderwijsinrichting, wordt als volgt geregeld :

1° De gedetacheerde personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid worden verder gesalarieerd door hun departement van herkomst. Dit salaris wordt door het departement voor de duur van de detachering aangerekend op de kabinetsbegroting. De personeelsleden ontvangen verder een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen.

2° Voor de gedetacheerde personeelsleden van andere ministeries, openbare diensten of gesubsidieerde onderwijsinrichtingen stort, indien de werkgever ermee instemt de betaling van het salaris voort te zetten, het lid van de Vlaamse Regering het salaris van het personeelslid, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en alle toelagen en vergoedingen inherent aan de uitgeoefende functie, alle berekend volgens de bepalingen die in de instelling van herkomst op hem van toepassing zijn, eventueel verhoogd met de werkgeversbijdragen aan de dienst van herkomst terug. De personeelsleden ontvangen verder een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen.

3° Indien de werkgever van de personeelsleden, genoemd in 2°, de betaling van het salaris stopzet, krijgen de personeelsleden hun salaris in toepassing van artikel 17 van dit besluit.

§ 2. De geldelijke toestand van de personeelsleden van een kabinet die niet behoren tot een ministerie, een andere openbare dienst of een gesubsidieerde onderwijsinrichting, wordt als volgt geregeld :

1° Indien de werkgever ermee instemt de betaling van het salaris voort te zetten, ontvangen de personeelsleden een salariscomplement, vastgesteld door de minister binnen de perken van de daartoe toegekende budgettaire middelen. Het bevoegde lid van de Vlaamse Regering stort het salaris van het personeelslid, eventueel verhoogd met de werkgeversbijdragen aan de instelling van herkomst terug.

2° Indien de werkgever de betaling van het salaris stopzet, krijgen de personeelsleden hun salaris in toepassing van artikel 17 van dit besluit.

§ 3. Het salariscomplement, vermeld in § 1 en § 2, wordt beschouwd als een toelage. Dat salariscomplement wordt in aanmerking genomen voor de berekening van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage.

Afdeling 3 Vergoedingen en toelagen

Art. 21.

De regeling voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid inzake gezinsbijslag, haard- of standplaatstoelage, maaltijdcheques, vakantiegeld, eindejaarstoelage en andere toelagen zijn van overeenkomstige toepassing op het personeel van de kabinetten, met uitzondering van de toelage voor het presteren van overuren en de toelage voor nacht-, zaterdag- en zondagswerk.

De regeling voor het contractuele personeel van de diensten van de Vlaamse overheid inzake de aanvullende moederschapsuitkering is van toepassing op het aangestelde personeel van de kabinetten dat tijdens het bevallingsverlof van de moederschapsuitkeringen geniet.

De vervangers van de aangestelde personeelsleden die met bevallingsverlof zijn en van de moederschapsuitkering of de aanvullende moederschapsuitkering genieten, alsook de vervangers van de aangestelde personeelsleden die langer dan 35 werkdagen afwezig zijn wegens ziekte, worden voor de duur van de vervanging niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal personeelsleden overeenkomstig de artikelen 6, §§ 1 en 2, 7, en 9, eerste en tweede lid, van dit besluit. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing wat de vervangers van de gedetacheerde contractuele personeelsleden betreft.

Art. 22.

Aan het personeelslid met de functie van chauffeur wordt een forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten toegekend van 3.050 euro op jaarbasis. De vergoeding voor verblijfskosten is tegen 100% en volgt de evolutie van het indexcijfer als vermeld in artikel 19. Het te betalen bedrag wordt afgerond op de hogere cent.

De vergoeding voor verblijfkosten wordt maandelijks en na vervallen termijn uitbetaald.

De betaling van de vergoeding voor verblijfskosten wordt stopgezet in een van de volgende gevallen:

1° als er geen salaris wordt betaald;

2° bij een afwezigheid, met inbegrip van de afwezigheid wegens arbeidsongeval, van meer dan 35 werkdagen.

De vergoeding voor verblijfkosten is niet cumuleerbaar met de in artikel 23 bedoelde of met andere vergoedingen voor verblijfkosten en wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 26 bedoelde ontslagtoelage.

Art. 23.

§ 1. De regeling voor reis- en maaltijdvergoeding voor binnenlandse reizen en de regeling voor de vergoedingen voor buitenlandse reizen voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is van overeenkomstige toepassing op het personeel van de kabinetten.

§ 2. De kabinetschef mag voor dienstreizen gebruik maken van zijn eigen wagen onder de voorwaarden die in de diensten van de Vlaamse overheid worden bepaald voor de secretarissen-generaal.

Het andere personeelslid mag zijn eigen wagen gebruiken onder de voorwaarden die in de diensten van de Vlaamse overheid worden bepaald.

Art. 24.

De regeling voor het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid inzake de werkgeversbijdrage in het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer is van overeenkomstige toepassing op het personeel van de kabinetten. Voor de kabinetschef en de adjunct-kabinetschef is het supplement voor een abonnement in eerste klasse ten laste van de kabinetsbegroting.

Art. 25.

De regeling voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse overheid inzake vergoeding voor begrafeniskosten is van toepassing op het personeel van de kabinetten.

Art. 26.

§ 1. Het lid van de Vlaamse Regering kent een forfaitaire toelage wegens ontslag toe aan personen die, volgens hiernavermelde voorwaarden, functies in een kabinet van de Vlaamse Regering hebben waargenomen en generlei beroepsinkomen of vervangingsinkomen of rustpensioen genieten. Een overlevingspensioen of een uitkering van het gewaarborgd minimum door een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd.

§ 2. Deze toelage beloopt :

1° één maand salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode op een kabinet van de Vlaamse Regering vanaf één tot zes maanden;

2° twee maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf zes maanden tot één jaar;

3° drie maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf 1 tot 11/2 jaar;

4° vier maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf 11/2 tot twee jaar;

5° maximaal vijf maanden salaris voor een ononderbroken activiteitsperiode vanaf twee jaar en meer.

§ 3. De toelage wegens ontslag wordt in maandelijkse schijven uitbetaald. Om van deze toelage te kunnen genieten dient belanghebbende maandelijks een verklaring op erewoord in te sturen waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode generlei beroepsactiviteit uitoefende, of dat hij zich bevindt in één van de voorwaarden voorzien in § 4.

§ 4. In afwijking van § 1, kent het lid van de Vlaamse Regering een forfaitaire toelage wegens ontslag toe aan personen die functies in een kabinet van de Vlaamse Regering hebben waargenomen en uitsluitend titularis zijn van één of meer onvolledige functies of genieten van één of meer pensioenen ten laste van de Schatkist die betrekking hebben op één of meer onvolledige loopbanen of die een werkloosheidsuitkering of een vervangingsinkomen ingevolge ziekte of zwangerschap genieten.

In dit geval wordt de toelage wegens ontslag vastgesteld overeenkomstig § 2, enkel verminderd met de totale som die aan de betrokkene voor de overeenstemmende periode is verschuldigd als :

1° hetzij salaris voor de onvolledige functies, voor zover betrokkene na de datum van het ontslag op het kabinet titularis werd van deze functies,

2° hetzij pensioen voor een onvolledige loopbaan, voor zover het recht op dit pensioen ontstond of door betrokkene werd aangewend na de datum van het ontslag op het kabinet;

3° hetzij werkloosheidsuitkering;

4° hetzij vervangingsinkomen ingevolge ziekte of zwangerschap.

Er wordt voor de toepassing van het tweede lid geen rekening gehouden met het salaris voor onvolledige functies waarvan betrokkene titularis was voor de datum van het ontslag op het kabinet of het pensioen voor een onvolledige loopbaan dat aan betrokkene werd uitbetaald voor de datum van het ontslag op het kabinet.

§ 5. Er is geen toelage wegens ontslag verschuldigd aan hen die uit eigen beweging hun ambt neerleggen.

§ 6. De ontslagen aangestelde personeelsleden die gedurende een onafgebroken periode van twee jaar op een Vlaams kabinet tewerkgesteld waren en niet uit eigen beweging het ambt hebben neergelegd, kunnen gebruik maken van outplacementbegeleiding onder analoge voorwaarden als de personeelsleden van de Vlaamse overheid. Aanvragen die worden ingediend binnen een periode van één maand, te rekenen van de datum van de aangetekende zending die het geëigende aanvraagformulier bevat, zijn ontvankelijk.

HOOFDSTUK V Slotbepalingen

Art. 27.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2001 tot organisatie van de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering wordt opgeheven.

Art. 28.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2009.

Art. 29.

De leden van de Vlaamse Regering zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.