Titel: Omzendbrief VR 2010/0: Omzendbrieven, dienstorders en mededelingen
Aard document: Omzendbrief
Datum document: 29/10/2010
Datum publicatie BS:
Download Worddocument

Omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen


  


Omzendbrief VR 2010/0

Datum
: 29 oktober 2010

 
Deze omzendbrief vervangt de omzendbrief VR 1999/0 van 22 oktober 1999
betreffende denkraam indeling en verspreiding van omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen

DEEL 1. ALGEMEEN KADER

 
De Vlaamse overheid hanteert de volgende terminologie:  
 
1° de term “omzendbrief” wordt gebruikt voor mededelingen of voorschriften die uitgevaardigd worden door een Vlaamse minister;
2° de term “dienstorder” wordt gebruikt voor voorschriften die uitgevaardigd worden door een leidend ambtenaar;
3° de term “dienstmededeling” wordt gebruikt voor mededelingen die uitgaan van een leidend ambtenaar.
 
 
Niet alle voorschriften kunnen bij omzendbrief of dienstorder uitgevaardigd worden. In dit deel wordt het juridisch kader geschetst, en wordt in het bijzonder uiteengezet welke voorschriften bij omzendbrief of dienstorder kunnen worden opgelegd aan welke doelgroepen.
 
 

1. OMZENDBRIEVEN

 
 
Een minister kan bij omzendbrief voorschriften uitvaardigen of mededelingen doen ten aanzien van de personeelsleden van de diensten, instellingen of rechtspersonen die onder zijn bestuur of toezicht staan, maar niet ten aanzien van andere rechtsonderhorigen.
  
Welke voorschriften?
 
1° Voorschriften met betrekking tot de organisatie en de goede werking van de administratie
 
Elke minister kan bij omzendbrief een gedragslijn of een concrete werkwijze opleggen aan zijn personeelsleden op grond van de bevoegdheid om zijn diensten te organiseren en de goede werking ervan te verzekeren. Dat kan ook als het gaat om een materie waarvoor de minister zelf geen regelgevende of uitvoerende bevoegdheid heeft.  Een voorbeeld hiervan is een omzendbrief die personeelsleden informeert over federale regelgeving die moet nageleefd worden binnen de Vlaamse overheid.
 
2° Voorschriften met betrekking tot een materie waarvoor de minister  uitvoeringsbevoegdheid heeft
 
In een materie waarvoor de minister uitvoeringsbevoegdheid heeft, waarin hij dus  bevoegd is om de regelgeving toe te passen in individuele gevallen (bijvoorbeeld om erkennings- of subsidiëringsbeslissingen te nemen met toepassing van de reglementaire bepalingen vastgesteld door de Vlaamse Regering), kan hij voorschriften uitvaardigen ten aanzien van zijn personeelsleden met betrekking tot de manier waarop hij die bevoegdheid wil invullen.
 
De Raad van State maakt daarbij een onderscheid tussen de volgende twee situaties: 
 
-  De minister beschikt over een discretionaire beslissingsbevoegdheid bij de toepassing van de regels.  Dat betekent dat hij beschikt over een beoordelingsmarge bij het beoordelen van individuele gevallen. In dat geval kan hij bij omzendbrief de richtlijnen vaststellen die hij zich voorneemt te volgen bij het onderzoek van individuele gevallen (de zogenaamde “indicatieve omzendbrieven”). Een voorbeeld daarvan is het vastleggen door de toezichthoudende minister van voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de goedkeuring te verkrijgen of om een schorsing en/of vernietiging van de beslissing te voorkomen.
 
-  De minister beschikt over een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat hij de regel maar op één juiste rechtsgeldige manier kan toepassen.  In dat geval kan de omzendbrief alleen richtsnoeren bevatten aan de personeelsleden voor de toepassing en interpretatie van de regelgeving, interpretatie die overigens de rechter niet bindt (de zogenaamde “interpretatieve omzendbrieven”). Interpretatieve omzendbrieven brengen de vigerende wetgeving in herinnering, vatten de toepasselijke regelgeving samen als die vervat is in verschillende regelgevende teksten, lichten de wetgeving toe en geven eventueel instructies over de wijze waarop de wettelijke regel moet worden geïnterpreteerd en toegepast. Ze zijn alleen een richtsnoer, een praktisch hulpmiddel voor de personeelsleden aan wie de omzendbrief gericht is. De bedoeling is om een vlotte toepassing van de wetgeving te bevorderen en een uniforme interpretatie ervan te bewerkstelligen. In geen geval kan de interpretatie afwijken van de duidelijke tekst van de reglementaire bepalingen of mag de omzendbrief bijkomende normatieve bepalingen bevatten.
  
 
3° In geen geval kan een minister zijn regelgevende bevoegdheid uitoefenen bij omzendbrief
 
In de (eerder uitzonderlijke) situatie waarin een minister regelgevende bevoegdheid heeft in een bepaalde materie[1], kan hij bindende normen (nieuwe rechten of plichten) opleggen die algemeen verbindend zijn en afdwingbaar voor de rechter, maar dan moet hij dat doen in de vorm van een ministerieel besluit en niet in de vorm van een omzendbrief.  Omzendbrieven kunnen nooit normatieve bepalingen bevatten die door alle rechtsonderhorigen moeten worden nageleefd.
 
De term “verordenende omzendbrief” die in de rechtsleer en rechtspraak gehanteerd wordt, zou op dit punt verwarring kunnen stichten. Het is weliswaar zo dat de rechter in bepaalde omstandigheden een bestaande omzendbrief kan kwalificeren als “pseudo-regelgeving”, en dat hij aan die omzendbrief bepaalde rechtsgevolgen ten aanzien van rechtsonderhorigen kan toekennen[2], maar daaruit mag zeker niet afgeleid worden dat een omzendbrief een gepast instrument is om normatieve bepalingen op te leggen aan rechtsonderhorigen.
 
Het is bijvoorbeeld zinloos om te opteren voor de vorm van een omzendbrief i.p.v. voor een ministerieel besluit met de bedoeling de procedurevoorschriften die gelden voor besluiten te ontwijken. Een omzendbrief die, naar inhoud, bedoeling en draagwijdte, het karakter zou hebben van een algemeen verbindend (= normatief) voorschrift is onderworpen aan dezelfde  (substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven) vormvoorschriften als de reglementaire besluiten, anders kan de omzendbrief op die grond vernietigd worden door de Raad van State[3].

Welke doelgroepen?
 
Een omzendbrief kan per definitie alleen geadresseerd worden aan één of meer van volgende doelgroepen:
1° de leden van de Vlaamse Regering en hun kabinetten;
2° de personeelsleden van de diensten, instellingen of rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of van het Vlaamse Gewest;
3° de overheden waarop de Vlaamse Regering administratief toezicht uitoefent.
Omzendbrieven kunnen niet geadresseerd worden aan andere rechtsonderhorigen (burgers, bedrijven, verenigingen, …) en in ieder geval zijn ze nooit afdwingbaar ten aanzien van die rechtsonderhorigen. 
 
Als een minister praktische informatie (bijvoorbeeld adreswijziging) of niet-bindende aanbevelingen (bijvoorbeeld de aanbeveling om een bepaald formulier te gebruiken) richt aan particulieren, zijn die berichten juridisch niet als “omzendbrief” te kwalificeren. Het zijn gewoon brieven die gericht zijn aan een groot aantal geadresseerden.
Om terminologische verwarring te vermijden mogen deze berichten dus niet het opschrift “omzendbrief” dragen: deze term is voorbehouden voor voorschriften of instructies gericht aan de personeelsleden van de diensten, instellingen of rechtspersonen van de Vlaamse overheid.
 
De juridische afdwingbaarheid van omzendbrieven is uitsluitend gebaseerd op het hiërarchisch gezag van een minister ten aanzien van zijn personeelsleden of op het toezichtinstrumentarium ten aanzien van instanties die onder zijn toezicht staan.
 
Vandaar ook dat een minister de naleving van een omzendbrief alleen kan afdwingen ten aanzien van de personeelsleden die onder zijn hiërarchisch gezag staan en ten aanzien van de diensten, instellingen, rechtspersonen of overheden die onder zijn toezicht staan.
 
Er zijn twee bijzondere gevallen:
 
- De omzendbrieven van het type VR: dat zijn omzendbrieven die betrekking hebben op de werking van de Vlaamse Regering (zie ook verder). Die omzendbrieven worden uitgevaardigd door de minister-president van de Vlaamse Regering en bij wijze van mededeling aan de Vlaamse Regering voorgelegd. Ze zijn in principe bestemd voor alle bovengenoemde categorieën van mogelijke geadresseerden, en alle leden van de Vlaamse Regering kunnen de naleving ervan afdwingen ten aanzien van de personeelsleden en instellingen die onder hun hiërarchisch gezag of toezicht staan;
 
- De omzendbrieven betreffende “organisatiegerichte aangelegenheden”: die omzendbrieven worden uitgevaardigd door de minister die bevoegd is voor het algemeen beleid inzake personeel, organisatieontwikkeling,  facilitaire dienstverlening, vastgoedbeheer, informatie- of communicatietechnologie, financiën, begrotingen, enzovoort in de Vlaamse overheid.
Ze kunnen bestemd zijn voor alle personeelsleden van de departementen en IVA’s zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid.  Ze kunnen alleen bestemd zijn voor de personeelsleden van IVA’s met rechtspersoonlijkheid en van publiekrechtelijk vormgegeven EVA’s in de mate dat de Vlaamse Regering bij decreet gemachtigd is de werking van die agentschappen te regelen[4].
Alle leden van de Vlaamse Regering kunnen de naleving ervan afdwingen ten aanzien van de personeelsleden en instellingen die onder hun hiërarchisch gezag of toezicht staan.
 
 

2. DIENSTORDERS EN DIENSTMEDEDELINGEN

 
Een leidinggevend personeelslid kan bij dienstorder voorschriften uitvaardigen en bij dienstmededeling kan hij mededelingen doen ten aanzien van de personeelsleden van zijn entiteit.
 
Welke mededelingen of voorschriften?
 
Bij dienstorder kunnen leidinggevende personeelsleden voorschriften uitvaardigen binnen de perken van de beslissingsbevoegdheden die aan hen gedelegeerd werden[5].
 
Aangezien aan ambtenaren geen verordenende bevoegdheid kan toegekend worden, kunnen dienstorders nooit reglementaire bepalingen bevatten en dus ook geen bepalingen die de rechtspositie van de personeelsleden wijzigen.
 
Met een dienstorder kunnen bindende voorschriften worden uitgevaardigd die onder meer betrekking hebben op de organisatie van de werkzaamheden en het goed functioneren van de entiteit, het managen van processen en van de communicatie, de huisvesting, de uitrusting, de informatie- en communicatiesystemen en de werking van de entiteit.
Vanzelfsprekend moeten daarbij rekening gehouden worden met de bepalingen van wetten, decreten, besluiten, omzendbrieven en met de beheers- of managementovereenkomst, en met de beslissingen van de Vlaamse Regering of de minister.
 
Als een leidinggevend personeelslid beslissingsbevoegdheid heeft in individuele gevallen (bijvoorbeeld voor het verlenen van gereglementeerde subsidies, voor de invordering en inning van belastingen, heffingen, retributies en niet-fiscale schuldvorderingen, voor het verlenen en intrekken van vergunningen, voor toezichts-, controle en inspectietaken, …) kan hij aan de personeelsleden van zijn entiteit richtlijnen geven voor de toepassing en interpretatie van de toepasselijke regelgeving. Die richtlijnen zijn dan te vergelijken met de zogenaamde “interpretatieve omzendbrieven”.
 
Daarnaast kunnen leidinggevende personeelsleden mededelingen doen ten aanzien van de personeelsleden van hun diensten. Dienstmededelingen bevatten geen dwingende voorschriften maar alleen informatie of niet-dwingende aanbevelingen.
 
 
 Welke doelgroepen?
 
Leidinggevende personeelsleden kunnen dienstorders of dienstmededelingen uitvaardigen ten aanzien van de personeelsleden die onder hun hiërarchisch gezag staan: een secretaris-generaal kan dienstorders of dienstmededelingen uitvaardigen ten aanzien van de personeelsleden van zijn departement, een administrateur-generaal ten aanzien van de personeelsleden van zijn agentschap, een afdelingshoofd ten aanzien van de personeelsleden van zijn afdeling, enzovoort.
 
Er zijn momenteel bij de Vlaamse overheid geen colleges van leidend ambtenaren die collegiaal dienstorders kunnen uitvaardigen en de naleving daarvan afdwingen. Het is principieel mogelijk (maar wel omslachtig) dat de colleges collegiaal beslissingen nemen die door de leden bij parallelle of gezamenlijke dienstorders worden opgelegd ten aanzien van de personeelsleden van hun entiteit. Dat kan bijvoorbeeld binnen een beleidsdomein door de leden van het managementcomité , of beleidsdomeinoverschrijdend door de leden van het SG-forum of het CAG.
 
Bijzonder geval:
Leidinggevende personeelsleden van entiteiten met horizontale bevoegdheid kunnen, als ze daartoe delegatie hebben gekregen van de Vlaamse Regering of van de bevoegde minister, ook dienstorders uitvaardigen die betrekking hebben op “organisatiegerichte aangelegenheden”. Die dienstorders kunnen bestemd zijn voor alle personeelsleden van de departementen en IVA’s zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid, en voor de personeelsleden van IVA’s met rechtspersoonlijkheid en van publiekrechtelijk vormgegeven EVA’s, in de mate dat de Vlaamse Regering bij decreet gemachtigd is de werking van die agentschappen te regelen (zie ook hierboven in punt 1.2). De naleving van die dienstorders kan afgedwongen worden door leden van de Vlaamse Regering en door de leidinggevende personeelsleden ten aanzien van de personeelsleden van hun entiteit.
 
 
 
 

DEEL 2. AANWIJZINGEN BETREFFENDE DE REDACTIE EN DE VORMVEREISTEN

 
 
1. Vorm
 
De sjablonen voor omzendbrieven vindt u op http://intra.vlaanderen.be/huisstijl/huisstijl-omzendbrieven.htm
 
De omzendbrieven worden afgedrukt op voorgedrukt briefpapier met het logo van de Vlaamse Regering.
 
Dienstorders en dienstmededelingen worden afgedrukt op voorgedrukt briefpapier met het logo van de Vlaamse overheid.
 
 
2. Nummering
 
2.1. Omzendbrieven
 
De omzendbrieven worden genummerd door de secretaris-generaal van het betrokken departement, of door de Kanselarij voor de omzendbrieven over de werking van de Vlaamse Regering (type VR).
 
Als verschillende ministers of beleidsdomeinen bevoegd zijn, worden de omzendbrieven genummerd door één van de betrokken departementen, dat in onderling overleg wordt aangewezen. 
Met het oog op eenvormigheid moeten bij de nummering van de omzendbrieven de onderstaande regels in acht genomen worden.
Het nummer is samengesteld uit de volgende drie elementen:
 
1° het kenmerk van het beleidsdomein, waarbij de volgende afkortingen worden gebruikt:
 
- VR = omzendbrieven betreffende de werking van de Vlaamse Regering
- DAR = Diensten voor het algemeen Regeringsbeleid
- BZ = Bestuurszaken
- FB = Financiën en Begroting
- IV = Internationaal Vlaanderen
- EWI = Economie, Wetenschap en Innovatie 
- OV = Onderwijs en Vorming
- WVG = Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
- CJSM = Cultuur, Jeugd, Sport en Media
- WSE = Werk en Sociale Economie
- LV = Landbouw en Visserij
- LNE = Leefmilieu, Natuur en Energie
- MOW = Mobiliteit en Openbare Werken
- RWO = Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed
 
2° het jaartal : volledig, met vier karakters
 
3° een volgnummer dat wordt toegekend per beleidsdomein of door de afdeling Kanselarij voor de omzendbrieven van het type VR.
 
Bijvoorbeeld: Omzendbrief VR 2010/0; Omzendbrief LV 2009/3
 
 
2.2. Dienstorders en dienstmededelingen
 
De dienstorders en dienstmededelingen worden genummerd door het leidinggevend personeelslid dat ze uitvaardigt.
 
De dienstorders en dienstmededelingen worden bij voorkeur genummerd op dezelfde manier als de omzendbrieven:
 
1° het kenmerk van het beleidsdomein, afgekort zoals in de lijst in punt 2.1.,1°, gevolgd door:
- het kenmerk van de subentiteit als de dienstorder of –mededeling niet voor het hele beleidsdomein geldt
- de afkorting VO (Vlaamse overheid) als de dienstorder of –mededeling voor de hele Vlaamse overheid geldt
 
2° het jaartal: volledig, met vier karakters
 
3° een volgnummer dat wordt toegekend door het leidinggevend personeelslid
 
Bijvoorbeeld:
-       Dienstorder LNE/ANB 2010/1 : dienstorder uitgevaardigd door de administrateur-generaal van het Agentschap Natuur en Bos van het beleidsdomein LNE;
-       Dienstorder BZ/VO 2010/2: dienstorder uitgevaardigd door een leidend ambtenaar van het beleidsdomein BZ die delegatie heeft  om horizontale organisatiegerichte maatregelen te nemen;
-        Dienstmededeling DAR/DEP  2010/3: dienstmededeling van de secretaris-generaal van het departement DAR.

3. Adressering
 
Op omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen moet altijd duidelijk aangegeven worden voor wie ze bestemd zijn.
 
4. Opschrift
 
Omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen bevatten een opschrift (“Betreft: …”) dat bondig en volledig de inhoud van het document vermeldt.
 
5. Redactionele aanwijzingen
 
Het feit dat omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen geen normatief karakter hebben, heeft gevolgen voor de redactie ervan:
 
- Er mogen bij wijze van interpretatie geen nieuwe verplichtingen of rechten worden vastgesteld door middel van een omzendbrief, dienstorder of dienstmededeling.
 
- Omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen kunnen allerlei regelingen bevatten betreffende de organisatie en de goede werking van de dienst, maar mogen niets wijzigen aan de rechtstoestand van personeelsleden. 
 
- In een besluit of decreet mag nooit verwezen worden naar bestaande of toekomstige omzendbrieven, dienstorders of dienstmededelingen. Anders zou de indruk worden gewekt dat die teksten voor iedereen verbindend zijn.
 
Als richtlijnen gegeven worden voor de interpretatie van normatieve bepalingen, wordt verwacht dat daarbij de rechtspraak nauwkeurig opgevolgd en geanalyseerd wordt, en dat de richtlijnen regelmatig geactualiseerd worden in functie van ontwikkelingen in de rechtspraak.
 
6. Verplichte adviesprocedures.
 
6.1.Taalkundig advies
 
Alle omzendbrieven worden voor taalkundig advies voorgelegd aan de dienst Taaladvies van het Departement Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid, afdeling Kanselarij.
Adres: Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel
E-mail: taaladvies@vlaanderen.be
 
Voor dienstorders en dienstmededelingen is taalkundig advies facultatief.
 
Voor alle duidelijkheid: voor omzendbrieven, dienstorders en dienstmededelingen zijn het wetgevingstechnisch advies en de reguleringsimpactanalyse niet vereist.
 
6.2. Advies Inspectie van Financiën
 
Overeenkomstig artikel 15, § 1, 1°,  van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en –opmaak is het voorafgaand advies van de inspecteur van Financiën verplicht voor elk ontwerp van omzendbrief met een budgettaire weerslag.
 
 
7. Mededeling aan de Vlaamse Regering
 
Artikel 13 van het huishoudelijk reglement van de Vlaamse Regering schrijft voor dat een omzendbrief in drie gevallen vooraf ter kennisgeving moet worden meegedeeld aan de Vlaamse Regering, waarna de andere Vlaamse ministers schriftelijk opmerkingen of bezwaren kunnen maken.
 
Het gaat om omzendbrieven die:
1°   ofwel gericht zijn aan lokale besturen;
2°   ofwel een indicatieve norm stellen, voortvloeiend uit een discretionaire bevoegdheid, inzonderheid het administratieve toezicht;
3°   ofwel de werking van de Vlaamse Regering betreffen.
 
8. Ondertekening en datering
 
8.1. Omzendbrieven
 
De omzendbrieven worden ondertekend door de bevoegde minister.  Als meer dan een minister bevoegd is, worden de omzendbrieven ondertekend door alle bevoegde ministers.  Omzendbrieven over de werking van de VR (type VR) worden ondertekend door de minister-president van de Vlaamse Regering.
 
De omzendbrieven die ter kennisgeving aan de Vlaamse Regering moeten worden voorgelegd worden pas ondertekend door de minister of ministers nadat de termijn van vier werkdagen (of in uitzonderlijke gevallen twee werkdagen) voor schriftelijke bezwaren en opmerkingen verstreken is. Ze dragen de datum waarop de Vlaamse Regering akte genomen heeft van de omzendbrief.
 
Omzendbrieven die niet ter kennisgeving aan de Vlaamse Regering hoeven voorgelegd te worden, dragen de datum waarop ze ondertekend worden door de minister of ministers.
 
 
8.2. Dienstorders en dienstmededelingen
 
Dienstorders en dienstmededelingen worden ondertekend door het leidinggevend personeelslid en dragen de datum waarop ze ondertekend worden.
 
 
9. Publicatie en vertaling
 
9.1. Omzendbrieven
 
Omzendbrieven moeten in de eerste plaats bekendgemaakt worden aan de geadresseerden.  De minister kiest de daartoe meest geëigende werkwijze.
 
Omzendbrieven moeten worden in ieder geval ook gepubliceerd op de extranet-site van het beleidsdomein. De secretaris-generaal van het bevoegde departement neemt daartoe het initiatief.  
 
Er is geen wettelijke publicatieverplichting. Omzendbrieven hebben geen normatief karakter, en zijn dus per definitie niet van belang voor de algemeenheid van de burgers, zodat ze niet in het Belgisch Staatsblad moeten worden gepubliceerd. 
 
Voor omzendbrieven die om één of andere reden toch gepubliceerd worden in het Belgisch Staatsblad, moet er van uitgegaan worden dat dezelfde publicatie- en vertaalverplichtingen gelden als voor reglementaire besluiten[6].  Dat wil zeggen dat ze in extenso in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden, met vertaling in het Frans.
 
Voor de publicatie van een omzendbrief in het Belgisch Staatsblad wordt de volgende werkwijze gevolgd :
 
De secretaris-generaal van het betrokken departement stuurt een afschrift van de omzendbrief, samen met de publicatieopdracht, aan de afdeling Kanselarij, Koolstraat 35, 1000 Brussel. Tegelijkertijd stuurt hij de digitale versie van de omzendbrief naar een van de volgende e-mailadressen: daisy.vandevelde@dar.vlaanderen.be, hilde.vantroyen@dar.vlaanderen.be of liesbeth.vansnick@dar.vlaanderen.be
 
Hij moet er uiteraard voor zorgen dat de digitale versie identiek is aan de tekst die de minister ondertekend heeft.
 
De afdeling Kanselarij zorgt voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
 
9.2. Dienstorders en dienstmededelingen
 
De dienstorders en dienstmededelingen moeten in de eerste plaats bekendgemaakt worden aan de geadresseerden.  Het leidinggevend personeelslid dat ze uitvaardigt, kiest de daartoe meest geëigende werkwijze.
Hij zorgt ook voor de publicatie ervan op het extranet.
 
 
10. Archivering
 
De originele exemplaren van de omzendbrieven worden gearchiveerd door de secretaris-generaal van het betrokken departement of door de afdeling Kanselarij wat de omzendbrieven over de werking van de Vlaamse Regering type VR betreft.
 
De dienstorders en dienstmededelingen worden gearchiveerd door het leidinggevend personeelslid dat ze uitvaardigt.
 
 
 
 
 
Kris PEETERS,
Minister-president van de Vlaamse Regering





[1] Dus alleen als de Vlaamse Regering de minister uitdrukkelijk gemachtigd heeft om bepaalde regels vast te leggen in uitvoering van de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.
 

[2] Voor een uitgebreide studie van de rechtspraak m.b.t. omzendbrieven wordt verwezen naar: LEUS, K., “Pseudo-Wetgeving”, Maklu Uitgevers, 1992.
 
De rechter kan oordelen dat in een bepaalde casus een omzendbrief rechtsgevolgen heeft ten aanzien van rechtsonderhorigen, ook al is hij alleen gericht aan de personeelsleden van de minister. Immers, als een omzendbrief bekendgemaakt wordt, kan dat ertoe leiden dat rechtsonderhorigen hun gedrag gaan afstemmen op de inhoud van die omzendbrief. De rechter kan oordelen dat een omzendbrief in bepaalde omstandigheden rechtmatige verwachtingen wekt bij de rechtsonderhorigen, en dus als “rechtsfeit” moet in aanmerking genomen worden.
 
De term “verordenende omzendbrief” is geïntroduceerd door de Raad van State, bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van een annulatieberoep tegen een omzendbrief. Een omzendbrief wordt door de Raad van State gekwalificeerd als een voor vernietiging vatbare eenzijdige bestuurshandeling, en dus als een “verordenende omzendbrief” als cumulatief voldaan is aan de volgende vier criteria:
1° de steller wil met de omzendbrief nieuwe regels aan de bestaande regels toevoegen (bijvoorbeeld: het toepassingsgebied van een regel uitbreiden of beperken, bijkomende waarborgen verlenen);
2° de steller heeft de bedoeling om de inhoud van de omzendbrief verplicht te stellen (de omzendbrief wordt imperatief gesteld);
3° de steller is bevoegd om degene die de omzendbrief moet toepassen te binden (hiërarchisch gezag, goedkeuringstoezicht, …);
4° de steller beschikt over de middelen om zelf de handhaving van de richtlijnen af te dwingen. De omzendbrief is dus opgesteld door de overheid die bevoegd is om de eindbeslissing te nemen betreffende de toepassing van de regels die door de omzendbrief gewijzigd, aangevuld, geïnterpreteerd,enzovoort worden.
 

[3] Zie o.m. R.v.St. nr. 19.418 van 6 februari 1979 en R.v.St. nr. 124.147 van 13 oktober 2003

[4] De Vlaamse Regering, en de Vlaamse ministers bij delegatie, zijn immers niet bevoegd om de werking van agentschappen met rechtspersoonlijkheid te regelen; alleen de decreetgever is daartoe bevoegd ingevolge artikel 9, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. In bepaalde materies heeft de decreetgever die bevoegdheid wel gedelegeerd aan de Vlaamse Regering, bijvoorbeeld:
-       het bepalen van de rechtspositieregeling: zie artikel 5 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003;
-       het onderbrengen van financiële rekeningen en beleggingen bij een bepaalde kredietinstelling: zie artikel 24 van hetzelfde decreet;
-       het aangaan van verzekeringen bij een bepaalde verzekeringsinstelling: zie artikel 26 van hetzelfde decreet

[5] Zie ondermeer de generieke delegatiebesluiten: BVR van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries en BVR van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid

[6] Zie artikel 84 bijzondere wet 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen