Titel: Omzendbrief VR 2009/23: Het Grondwettelijk Hof
Aard document: Omzendbrief
Datum document: 16/01/2009
Datum publicatie BS:
Download Worddocument

Het Grondwettelijk Hof




Omzendbrief VR 2009/23

Datum
: 16 januari 2009

 

Deze omzendbrief vervangt de omzendbrief VR 2003/23 van 5 december 2003 betreffende het Arbitragehof



ALGEMEEN

Toepasselijke wetgeving

- artikel 142 van de gecoördineerde Grondwet

- de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hierna de bijzondere wet te noemen

Het Grondwettelijk Hof werd in 1980 opgericht onder de benaming Arbitragehof om bevoegdheidsconflicten tussen de wetgevende machten van de Federale Staat en de gemeenschappen en gewesten te beslechten. Het Arbitragehof kreeg in 1989 ook de bevoegdheid om wetgevende normen te toetsen aan het gelijkheidsbeginsel en aan de onderwijsvrijheden en sinds 2003 ook aan de overige grondwettelijk gewaarborgde grondrechten. Deze bevoegdheidsuitbreiding heeft de naamswijziging van het hof noodzakelijk gemaakt: het Arbitragehof heet sinds de grondwetswijziging van 7 mei 2007 Grondwettelijk Hof.

pagebreakBevoegdheden van het Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof heeft een beperkte, maar exclusieve bevoegdheid, met name de toetsing van wetskrachtige normen op hun bestaanbaarheid met de bevoegdheidsverdelende regels en welomschreven grondwetsbepalingen.

De geschillen die voor het Hof kunnen worden gebracht, kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:

1. de bevoegdheidsconflicten tussen de Staat, de Gemeenschappen en/of de Gewesten;

2. de geschillen over de grondrechten;

3. de normenconflicten (die alleen aanleiding kunnen geven tot een prejudiciële procedure).

Wijze waarop een zaak bij het Grondwettelijk Hof aanhangig wordt gemaakt

Een zaak kan op twee manieren bij het Grondwettelijk Hof aanhangig worden gemaakt:

1° door een beroep tot vernietiging (eventueel samen met een beroep tot schorsing)

De verzoekende partijen (de ministerraad, de regering van een gemeenschap of van een gewest, de voorzitter van een wetgevende vergadering, of een belanghebbende natuurlijke of rechtspersoon) wenden zich rechtstreeks tot het Grondwettelijk Hof.  Aan het aangebrachte geschil ligt geen betwisting over subjectieve rechten ten grondslag. Het Grondwettelijk Hof moet alleen oordelen over de conformiteit van een norm in de interne rechtsorde met de bevoegdheidsverdelende regelen in de Grondwet of haar uitvoeringswetten, of met de grondrechten waarvan het Grondwettelijk Hof de naleving verzekert.  Als het Grondwettelijk Hof de klacht gegrond acht, schorst of vernietigt het de rechtsnorm, in beginsel met terugwerkende kracht, onverminderd de mogelijkheid voor het Grondwettelijk Hof om bij wijze van algemene maatregel bepaalde gevolgen te handhaven.

pagebreak2° door een prejudiciële vraagstelling

Aan het Grondwettelijk Hof wordt een rechterlijke beslissing voorgelegd, waarbij een abstracte en van de feiten van de zaak losstaande vraag wordt gesteld. Dat gebeurt nadat in een geschil over subjectieve rechten, de grondwettigheid van een in het geschil toepasselijke wetskrachtige norm door een van de partijen werd betwist, of ambtshalve ter discussie gesteld door de rechter bij wie het bodemgeschil aanhangig is gemaakt. Als het Grondwettelijk Hof de schending van een grondrecht of van een bevoegdheidsverdelende regel vaststelt, leidt dat niet tot de vernietiging van de betwiste norm.  Het Grondwettelijk Hof "zegt" alleen maar "voor recht" dat een bepaalde norm al dan niet een schending inhoudt van de regels waarop het Grondwettelijk Hof toezicht uitoefent.  Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, en alle andere rechtscolleges die in dezelfde zaak uitspraak doen, moeten zich voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de prejudiciële vraag werd gesteld, voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Het voorwerp van de saisine

1. Welke normen kunnen betwist worden?

Het Grondwettelijk Hof kan alleen maar uitspraak doen over betwistingen omtrent wetten, decreten en ordonnanties, of in een verzamelterm, wetgevende of wetskrachtige normen.  Ter bepaling van het begrip "wetskrachtige normen" wordt een formeel criterium gehanteerd: de vorm waarin de akte tot stand is gekomen is bepalend voor de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof. Het gaat om normen die zijn aangenomen door de verschillende wetgevende vergaderingen in de uitoefening van hun wetgevende functie en bekrachtigd door de daartoe bevoegde organen.

Niet onder het toezicht van het Grondwettelijk Hof vallen dus: grondwettelijke bepalingen, inter- of supranationale rechtsnormen, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, besluiten van de gemeenschaps- of gewestregeringen of van de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, administratieve overheidsakten.

Over wetten, decreten of ordonnanties waarbij instemming gegeven wordt aan een “constituerend” verdrag betreffende de Europese Unie, het EVRM-verdrag of een aanvullend protocol bij dit verdrag, kunnen geen prejudiciële vragen gesteld worden.

pagebreak2. Welke toetsingsgronden kan het Grondwettelijk Hof hanteren?

- Toetsing aan bevoegdheidsverdelende regels. Dat zijn regels die een onderscheid aanbrengen tussen een bevoegde wetgever en een of meer onbevoegde wetgevers, dus regels die hetzij een bevoegdheid voorbehouden aan de nationale wetgever, hetzij een bevoegdheid toewijzen aan de gemeenschappen of de gewesten;

- Toetsing aan titel II “De Belgen en hun rechten”, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet, dus alle gewaarborgde rechten en vrijheden (artikelen 8 tot 32), het legaliteitsbeginsel inzake belastingzaken (art. 170), het gelijkheidsbeginsel in fiscale aangelegenheden (art. 172) en de niet-discriminatie van vreemdelingen (art. 191). 

PRAKTISCHE RICHTLIJNEN BETREFFENDE HET OPTREDEN VAN DE VLAAMSE REGERING VOOR HET GRONDWETTELIJK HOF

Hypothese 1: De Vlaamse Regering stelt zelf een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing in

Hoe wordt een beroep tot vernietiging aanhangig gemaakt bij het Grondwettelijk Hof?

Een beroep tot vernietiging dat van de Vlaamse Regering uitgaat, wordt bij het Grondwettelijk Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift dat ondertekend wordt door een door de regering geval per geval aan te wijzen Vlaamse minister (art. 5 van de bijzondere wet).  Het instellen van een beroep bij het Grondwettelijk Hof is dus niet gedelegeerd en moet steeds formeel beslist worden door de Vlaamse Regering.

Het verzoekschrift wordt gedateerd.  Het vermeldt het onderwerp van het beroep en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen (art. 6 van de bijzondere wet).  Het is belangrijk om alle middelen in het verzoekschrift te vermelden.  De memories die later worden ingediend, mogen geen nieuwe middelen bevatten en de partijen kunnen nadien geen nieuwe middelen meer voordragen (art. 85 van de bijzondere wet).

Het verzoekschrift wordt bij ter post aangetekende brief aan het Grondwettelijk Hof gezonden.

pagebreakBij ieder verzoekschrift moeten worden gevoegd:

- een afschrift van de wet, het decreet of de ordonnantie waartegen het beroep gericht is, en, in voorkomend geval van de bijlagen ervan (art. 7, 1ste lid, van de bijzondere wet);

- een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing van de Vlaamse Regering waarbij ze besluit het beroep in te stellen (art. 7, 2de lid, van de bijzondere wet);

- 10 door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften van het verzoekschrift (art. 83 van de bijzondere wet);

- een inventaris van de tot staving aangevoerde stukken (art. 84 van de bijzondere wet).

Termijn voor het instellen van een beroep tot vernietiging

Om ontvankelijk te zijn moet het beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van 6 maanden na de bekendmaking van de wet, het decreet of de ordonnantie (art. 3, §1, van de bijzondere wet) of na het verstrijken van de inkohieringstermijn als het gaat om een beroep dat gegrond is op de schending van de artikelen 6, §2, en 9, §1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (art. 3bis van de bijzondere wet).

Op de termijn van 6 maanden bestaat maar 1 uitzondering: een beroep tot vernietiging van een wet, decreet of ordonnantie waardoor een verdrag instemming krijgt, moet worden ingesteld binnen 60 dagen na de bekendmaking (art. 3, § 2, van de bijzondere wet).

In drie gevallen echter staat een nieuwe termijn van zes maanden open:

1. Als er een beroep is ingesteld tegen een norm die hetzelfde onderwerp heeft, en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de ordonnantie heeft aangenomen.  De termijn gaat in op de datum van de bekendmaking van het bericht in het Belgisch Staatsblad waarin de indiener en het onderwerp van het beroep worden aangegeven (artikel 4, 1°, van de bijzondere wet).

2. Als het Grondwettelijk Hof een norm heeft vernietigd die, geheel of gedeeltelijk, hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de ordonnantie heeft aangenomen. De termijn gaat in op de datum van de kennisgeving van het door het Grondwettelijk Hof gewezen arrest aan - al naar gelang van het geval - de eerste minister en aan de voorzitters van de regeringen (art. 4, 2°, van de bijzondere wet).

3. Als het Grondwettelijk Hof - uitspraak doende op een prejudiciële vraag - verklaard heeft dat de wet, het decreet of de ordonnantie de grondwettelijke bevoegdheidsverdelende regels of de bepalingen van titel II, artikel 170, 172 of 191 van de Grondwet schendt. De termijn gaat in op de datum van de kennisgeving van het door het Grondwettelijk Hof gewezen arrest aan - al naar gelang van het geval - de eerste minister en de voorzitters van de gemeenschaps- en gewestregering en aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen, of op de datum van bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad (art. 4, 2de lid, van de bijzondere wet).

Op de eerste twee mogelijkheden kunnen alleen de ministerraad en de gemeenschaps- en gewestregeringen een beroep doen.  De derde mogelijkheid geldt ook voor de voorzitters van wetgevende vergaderingen op verzoek van 2/3 van hun leden, en voor natuurlijke personen of rechtspersonen die van een belang doen blijken.

Hoe wordt de schorsing gevorderd? (art. 19 tot 25 van de bijzondere wet)

In de volgende gevallen kan ook de schorsing van de wet, het decreet of de ordonnantie worden gevorderd:

- als ernstige middelen worden aangevoerd (dus als prima facie blijkt dat het beroep tot vernietiging niet onontvankelijk of ongegrond is), en op voorwaarde dat de onmiddellijke uitvoering van de wet, het decreet of de ordonnantie waartegen het beroep gericht is, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;

- als een beroep is ingesteld tegen een norm die identiek is met of gelijkaardig aan een reeds door het Grondwettelijk Hof vernietigde norm en die door dezelfde wetgever is aangenomen.

Sinds 1 januari 2001 kan het Grondwettelijk Hof bovendien tot schorsing besluiten als een decreet of ordonnantie afbreuk doet aan de bestaande garanties die de Franstaligen genieten in de rand- en taalgrensgemeenten (art. 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en art. 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen).

De schorsing wordt gevorderd hetzij in het verzoekschrift tot vernietiging, hetzij in een afzonderlijke akte die bij het verzoekschrift gevoegd of in de loop van het geding ingediend wordt. Als de vordering bij een afzonderlijke akte wordt ingesteld, wordt ze ondertekend door het lid van de regering dat door de regering is aangewezen, wordt ze gedateerd en vermeldt ze de norm waartegen het beroep tot vernietiging gericht is.

Termijn voor het indienen van een verzoek tot schorsing

Verzoekschriften tot schorsing zijn pas ontvankelijk als ze worden ingediend binnen 3 maanden na de bekendmaking van de wet, het decreet of de ordonnantie (art. 21, 2de lid, van de bijzondere wet).

Interne afspraken over het instellen van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing

Elk departement wordt verondersteld, voor zijn eigen bevoegdheidsdomein, de federale wetgeving en de wetgeving van de andere gemeenschappen en gewesten systematisch te toetsen aan de bevoegdheidsverdelende regels.

Elk vermoeden van bevoegdheidsoverschrijding wordt rechtstreeks gesignaleerd aan de bevoegde Vlaamse minister.  Telkens als er geoordeeld wordt dat een andere overheid haar materiële, territoriale of institutionele bevoegdheden overschreden heeft, moet dat gemeld worden.

De Vlaamse minister die van oordeel is dat een beroep tot vernietiging en eventueel een vordering tot schorsing moet worden ingesteld, legt aan de regering een geargumenteerde nota voor waarin de in te roepen middelen worden uiteengezet.

De regering neemt een formele beslissing om :

1. een beroep tot nietigverklaring, eventueel een vordering  tot schorsing in te stellen, en

2. de bevoegde Vlaamse minister te machtigen het verzoekschrift te ondertekenen en het geding te voeren.

Hypothese 2. De Vlaamse Regering krijgt kennis van een beroep ingesteld door anderen, of van een verwijzigingsbeslissing van een rechtbank

Interne afspraken over het in ontvangst nemen en doorzenden van de betekeningen

De Vlaamse Regering krijgt ook kennis van de beroepen tot vernietiging die ingesteld zijn door de ministerraad, door een andere gemeenschaps- of gewestregering, door de voorzitter van een wetgevende vergadering, of door een particulier, en van de verwijzingsbeslissingen van de rechtscolleges.

Die kennisgevingen worden bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding gezonden aan het kabinet van de minister-president van de Vlaamse Regering.

De afdeling Kanselarij staat in voor de verzending van de stukken:

- het origineel wordt binnen 24 uur bezorgd aan de secretaris-generaal van het be­voegde departement;

- een afschrift wordt onmid­dellijk bezorgd aan de bevoegde Vlaamse minister(s).

Dezelfde werkwijze geldt ook voor de aanzegging en betekeningen die in de loop van het geding aan het kabinet van de minister-president worden gedaan.

Als het voorwerp van het beroep of de verwijzingsbeslissing niet onder de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest ressorteert, en bijgevolg geen bevoegde Vlaamse minister kan worden aangewezen, wordt het dossier behandeld op initiatief van de minister-president.

Interne afspraken over het indienen van een memorie bij het Grondwettelijk Hof

De secretaris-generaal die een kennisgeving van het Grondwettelijk Hof ontvangt, neemt onmiddellijk het initiatief om de minister te adviseren over de impact die de uitspraak van het Grondwettelijk Hof zal (kunnen) hebben op de wettigheid van actuele of toekomstige Vlaamse regelgeving.  Hij formuleert een voorstel over de wenselijkheid om al dan niet een memorie in te dienen.  Vanwege de voorgeschreven termijnen legt de secretaris-generaal dat voorstel aan de bevoegde minister voor binnen de termijn van  8 dagen nadat het verzoekschrift door de Kanselarij werd doorgestuurd.

De minister beslist over de opportuniteit om al dan niet tussen te komen en geeft daarvan per kerende kennis aan het bevoegde departement.  Hij oordeelt of een mededeling aan de regering, vanwege het politieke belang van het geding, nuttig is.

Als een decreet van het Vlaams Parlement in het geding is, dient de Vlaamse Regering altijd een memorie in. Het is ook aangewezen om tussen te komen in de zaken waar wetgeving of decreetgeving van andere overheden ter discussie staat, maar waar de uitspraken van het Grondwettelijk Hof een impact (kunnen) hebben op de wettigheid van actuele of toekomstige Vlaamse regelgeving.

Termijn voor het indienen van een memorie

Binnen 45 dagen na ontvangst van de door de griffier gedane kennisgeving, kan de regering een memorie bij het Grondwettelijk Hof indienen.

Die termijn gaat in op de dag van ontvangst van de aangetekende brief of, als de geadresseerde de brief weigert, op de dag van de weigering. De datum van het postmerk geldt als bewijs (art. 82 van de bijzondere wet).

De termijn kan worden verkort of verlengd bij een met redenen omklede beschikking van de voorzitter van het Grondwettelijk Hof (art. 89bis van de bijzondere wet).  De memories die niet zijn ingediend binnen deze termijn, worden uit de debatten geweerd (art. 86 van de bijzondere wet).

Kris PEETERS,

Minister-president van de Vlaamse Regering