Titel: De financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, Bijzondere wet van 16 januari 1989
Aard document: Bijzondere Wet
Datum document: 16/01/1989
Datum publicatie BS: 17/01/1989
Download Worddocument

BIJZONDERE WET BETREFFENDE DE FINANCIERING VAN DE GEMEENSCHAPPEN EN DE GEWESTEN in toepassing van artikel 127, §1 van de bijzondere wet van 16 juli 1993 werd deze tekst aangepast aan de nieuwe federale terminologe

 

TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN

ART. 1.
§ 1. Onverminderd artikel 110, § 2, van de Grondwet (zie art. 170 Gecoörd. G.W.), gebeurt de financiering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap door:
1° niet-fiscale ontvangsten;
1°bis ...
2° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
2°bis een dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld;
3° leningen.

§ 2. Onverminderd artikel 110, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest door:
1° niet-fiscale ontvangsten;
2° fiscale ontvangsten, bedoeld in deze wet;
3° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
4° een nationale solidariteitstussenkomst;
5° leningen.

§ 3. [Het Vlaams Parlement mag alle financiële middelen die krachtens de bepalingen van deze wet aan dat parlement toekomen (verv. Bijz. W. 27 maart 2006, art. 9, I: 21 april 2006)] aanwenden voor de financiering zowel van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet, als van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 59bis van de Grondwet.


ART. 1bis.
[De uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 3, I: 1 januari 2002)]


ART. 1ter.
[De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet gebeurt met inachtname van het principe van vermijding van dubbele belasting.

Bij een door het gewest gegrond geacht verzoek houdende vermijding van dubbele belasting treedt dit gewest in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid vermelde principe ongedaan te maken. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 4, I: 1 januari 2002)]

TITEL II EIGEN NIET-FISCALE ONTVANGSTEN

ART. 2.De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de uitoefening van de door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en Gewesten toegekende bevoegdheden komen aan de bevoegde overheid toe.

De Gemeenschappen en de Gewesten kunnen schenkingen en legaten ontvangen.

TITEL III GEWESTELIJKE BELASTINGEN

ART. 3.
[Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen:
1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
5° de onroerende voorheffing;
6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
7° het registratierecht op:
a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
9° het kijk- en luistergeld;
10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
11° de belasting op de inverkeerstelling;
12° het eurovignet.

Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 5, I: 1 januari 2002)]


ART. 4.
[§ 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.

§ 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

§ 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

§ 4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 12°, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

§ 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 6, I: 1 januari 2002)]


ART. 5.
§ 1. [De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

§ 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd:

1° de belasting op de spelen en weddenschappen: op de plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden aangegaan;

2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen: op de plaats waar het toestel opgesteld is;

3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken: op de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is;

4° [- het successierecht van rijksinwoners : op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners: in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is; (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

5° de onroerende voorheffing: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;

6° [het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.

Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn: in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is; (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

7° [- het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn: in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
- het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is: op de plaats waar het onroerend goed gelegen is; (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

[8° - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner: op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was: op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;

9° het kijk- en luistergeld: op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;

10° de verkeersbelasting: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn. Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;

11° de belasting op de inverkeerstelling: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;

12° het eurovignet: op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.

Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het eurovignetsysteem: worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

§ 2bis. [... (opgeh. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

§ 3. [Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden:
- de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
- de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen.

De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.

Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel , eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

[§ 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

§ 4. [De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 7, I: 1 januari 2002)]

[TITEL IIIbis GEMEENSCHAPSBELASTING (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 94, I: 30 juli 1993)]

ART. 5bis.
[... (opgeh. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 8, I: 1 januari 2002)]

TITEL IV TOEGEWEZEN GEDEELTEN VAN DE OPBRENGST VAN BELASTINGEN

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

ART. 6.
§ 1. Een gedeelde belasting is een Rijksbelasting die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven en waarvan de opbrengst geheel of gedeeltelijk aan de Gemeenschappen wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

De in deze titel bedoelde gedeelde belastingen zijn:
1° ...
2° de belasting over de toegevoegde waarde;
3° de personenbelasting.

§ 2. Een samengevoegde belasting is een rijksbelasting:
1° die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven;
2° waarvan een bepaald gedeelte van de opbrengst aan de Gewesten wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet;
3° [waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, opcentiemen kunnen heffen respectievelijk kortingen kunnen toestaan die beide worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn en voorzover deze verminderingen het bedrag van de toegewezen opbrengst niet overschrijden. Die opcentiemen of kortingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting; (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 9, I: 1 januari 2002)]
[4° en waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen kunnen invoeren die verbonden zijn aan de bevoegdheden van de gewesten. Die algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting. De belastingverminderingen nemen de vorm aan van een aftrek ten aanzien van de verschuldigde personenbelasting en niet de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag. De belastingvermeerderingen nemen de vorm aan van een verhoging ten opzichte van de verschuldigde personenbelasting en niet die van een verhoging van de belastbare grondslag. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 9, I: 1 januari 2002)]

De in deze titel bedoelde samengevoegde belasting is de personenbelasting.


ART. 7.
§ 1. Voor de toepassing van deze titel worden de belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd:
1° de personenbelasting: op de plaats waar de belastingplichtige zijn woonplaats heeft gevestigd.
2° ...

§ 2. Voor de toepassing van deze wet worden de ontvangsten inzake personenbelasting en het inwonertal van elk Gewest jaarlijks vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na voorafgaand overleg met de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, op basis van de meest recente gegevens.

[Onder ontvangsten inzake personenbelasting wordt verstaan het bedrag van de globale belasting Staat voor het laatste aanslagjaar vastgesteld bij het verstrijken van de heffingstermijn, bepaald in artikel 359 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992. De globale belasting Staat is de belasting vóór toepassing van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, bedoelde opcentiemen en kortingen, van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen en van de in artikel 9, § 2, bedoelde aanvullende belastingen en opcentiemen. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 10, I: 1 januari 2002)]


ART. 8.
In het raam van het Overlegcomité [Federale Regering (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)] - [Regeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)] wordt jaarlijks een overleg gehouden over het fiscaal beleid.


ART. 9.
[§ 1. De invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, opcentiemen of kortingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3° en 4°, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.

De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.

Voor het totaal van de in het eerste lid bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen geldt een globaal maximumpercentage. Dit maximumpercentage bedraagt 3,25 % vanaf 1 januari 2001 en 6,75 % vanaf 1 januari 2004 van de in elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, § 2. Zonder dit maximumpercentage te overschrijden kunnen de gewesten:
1° algemene procentuele opcentiemen en algemene forfaitaire dan wel procentuele kortingen, al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf, invoeren;
2° algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen toestaan zoals bepaald in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°.

De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, de opcentiemen of kortingen gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting en met uitsluiting van deloyale fiscale concurrentie. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt: naarmate het belastbaar inkomen stijgt, mag, naargelang het geval, de verhouding tussen het bedrag van de aftrek tot de verschuldigde personenbelasting voor aftrek niet toenemen of de verhouding tussen het bedrag van de verhoging tot de verschuldigde personenbelasting voor verhoging niet afnemen.

De afrekeningsmodaliteiten van de toepassing van algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen worden, na voorafgaandelijk overleg met de gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 11, I: 1 januari 2002)]

§ 2. De opcentiemen ingevoerd door een Gewest mogen geen afbreuk doen aan het recht van de gemeenten om aanvullende belastingen of opcentiemen te heffen.


ART. 9bis.
De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen zoals bedoeld in artikel 9 worden, naargelang het geval vóór neerlegging in [het betrokken parlement (verv. Bijz. W. 27 maart 2006, art. 10, I: 21 april 2006)] of na goedkeuring in de bevoegde commissie van [het betrokken parlement (verv. Bijz. W. 27 maart 2006, art. 10, I: 21 april 2006)] medegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen en, voor advies, aan het Rekenhof. Hetzelfde geldt voor de amendementen die in commissie zijn goedgekeurd. De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen dienen in voldoende mate cijfermatig onderbouwd te zijn.

Onverminderd zijn algemene bevoegdheden, geeft de algemene vergadering van het Rekenhof, binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van de fiscale loyauteit, een gedocumenteerd en gemotiveerd advies over de naleving van de maximumpercentages en het principe inzake progressiviteit, zoals bedoeld in artikel 9. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.

In het kader van zijn adviesverstrekking bedoeld in het tweede lid ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.

Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het tweede lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.


ART. 10.
[... (opgeh. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 13, I: 1 januari 2002)]


ART. 11.
De gewesten kunnen geen opcentiemen of vermeerderingen heffen of kortingen of verminderingen toestaan op de in deze wet bedoelde belastingen, behalve op die welke bedoeld zijn in artikel 6, § 2.

Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven, met uitzondering van de in artikel 3, eerste lid, 10°, 11° en 12° bedoelde belastingen.

HOOFDSTUK II DE GEWESTEN

AFDELING 1 OVERGANGSPERIODE

ART. 12.
§ 1. De middelen per Gewest worden tijdens de overgangsperiode jaarlijks als volgt samengesteld:
1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen;
[3°bis voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999, het in artikel 32bis, § 3, bedoelde vierde gedeelte middelen; (ing. Bijz. W. 16 juli 1993,art. 97, I: 30 juli 1993)]
4° de in artikel 48 bedoelde nationale solidariteitstussenkomst.

§ 2. De middelen bedoeld in § 1, 1° [tot 3°bis, (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 97, I: 30 juli 1993)] worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.

ONDERAFDELING 1 HET EERSTE GEDEELTE

ART. 13.
§ 1. De berekening van het eerste gedeelte middelen geschiedt aan de hand van [drie (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 98, I: 30 juli 1993)] gegevens, waarvan het eerste steunt op de volgende basisbedragen:
- voor het Vlaamse Gewest: 30,7745 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest: 21,0463 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest: 10,3431 miljard frank.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden die bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen. In afwachting van de definitieve vaststelling van dit indexcijfer, worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer gedurende het voorgaande jaar.

§ 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 97,9 % in aanmerking genomen.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens in twee gedeelten opgesplitst:
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.


ART. 14.
§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 1990, en voor elk Gewest, wordt het met toepassing van artikel 13, § 4, 2°, bekomen gedeelte van 14,3 % in aanmerking genomen naar verhouding van negen constante opeenvolgende annuïteiten die overeenkomen met de aflossing van dat gedeelte en met de intrest berekend op grond van de effectieve rentevoet van de eerste openbare lening met een langere looptijd dan vijf jaar die door de Staat in Belgische frank uitgegeven wordt tijdens het betrokken begrotingsjaar.

Voordat die rentevoet bekend is, geschiedt de voorlopige berekening op grond van de effectieve rentevoet van de laatste openbare lening van hetzelfde type.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.


ART. 15.
§ 1. De berekening van het eerste gedeelte middelen geschiedt bovendien aan de hand van een tweede gegeven waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen:
- voor het Vlaamse Gewest: 19,5104 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest: 12,8198 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest: 4,8361 miljard frank.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

§ 3. De met toepassing van §§ 1 en 2 bekomen bedragen worden gespreid over drie jaar in drie gelijke delen. Zij worden in aanmerking genomen voor één derde tijdens het betrokken begrotingsjaar en voor één derde tijdens elk van de twee volgende begrotingsjaren.


ART. 16.
§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 1989 en voor elk Gewest wordt het globaal bedrag van de, voor het betrokken begrotingsjaar, in artikel 15, § 3, weerhouden derdedelen omgezet in tien opeenvolgende constante annuïteiten die overeenkomen met de aflossing van die delen en met de intrest berekend tegen de in artikel 14, § 1, bepaalde rentevoet.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.

§ 3. Elk jaar worden de in § 2 bedoelde annuïteiten en die welke voortkomen uit de toepassing van artikel 14, § 2, opgeteld en in twee gedeelten opgesplitst:
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.


ART. 16bis.
[§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 1993 geschiedt de berekening van het eerste gedeelte middelen bovendien aan de hand van een derde gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen:
- voor het Vlaamse Gewest: 0,3230 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest: 0,1673 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest: 0,0403 miljard frank.

§ 2. Voor 1993 wordt er evenwel een uitzonderlijke en niet-terugkerende vermindering van 0,0548 miljard toegepast op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Vlaamse Gewest, van 0,0263 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Waalse Gewest en van 0,0096 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddeld indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 1993 worden de overeenkomstig §§ 1, 2 en 3 verkregen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten:
1° een gedeelte van 85,7 pct.;
2° een gedeelte van 14,3 pct. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 99, I: 30 juli 1993)]


ART. 16ter.
[§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 1993, en voor elk Gewest, wordt het met toepassing van artikel 16bis, § 4, 2°, verkregen gedeelte van 14,3 pct. in aanmerking genomen naar verhouding van zes constante opeenvolgende annuïteiten die overeenkomen met de aflossing van dat gedeelte en met de interest berekend tegen de in artikel 14, § 1 bepaalde rentevoet.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt verkregen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.

§ 3. De overeenkomstig § 2 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten:
1° een gedeelte van 85,7 pct.;
2° een gedeelte van 14,3 pct. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 100, I: 30 juli 1993)]


ART. 17.
[Voor elk Gewest worden de bedragen die overeenkomen met de met toepassing van de artikelen 13, § 4, 1°, en 16, § 3, 1°, en vanaf het begrotingsjaar 1993 eveneens de met toepassing van de artikelen 16bis, § 4, 1° en 16ter, § 3, 1° verkregen gedeelten van 85,7 %, opgeteld. Het aldus verkregen totaal wordt verminderd met het bedrag van de in artikel 48 bedoelde nationale solidariteitstussenkomst waarop het betrokken Gewest recht heeft. (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 101, I: 30 juli 1993)]


ART. 18.
De bedragen die met toepassing van artikel 17 worden bekomen voor elk van de drie Gewesten, worden opgeteld. De verhouding van dat totaalbedrag tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting wordt uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.

Het basisbedrag voor elk Gewest wordt verkregen door dat percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten inzake personenbelasting, volgens de gewestelijke lokalisatie ervan.


ART. 19.
Voor elk Gewest wordt een overgangscorrectie berekend.

Voor het begrotingsjaar 1990 is het basisbedrag van die correctie gelijk aan het verschil tussen de som die met toepassing van artikel 17 aan het Gewest toekomt en het met toepassing van artikel 18, tweede lid, bekomen basisbedrag.

Voor het begrotingsjaar 1991 is de overgangscorrectie gelijk aan die van het begrotingsjaar 1990.

Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten verminderend percentage van het voor het jaar 1990 bekomen bedrag van de overgangscorrectie.

Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.


ART. 20.
§ 1. [De met toepassing van artikel 16, § 3, 2°, en 16ter, § 3, 2°, voor elk van de drie Gewesten bekomen bedragen worden opgeteld. (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 102, I: 30 juli 1993)]

§ 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten van de personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.

§ 3. [Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen het totaal van de met toepassing van de artikelen 16, § 3, 2° en 16ter, § 3, 2°, verkregen bedragen enerzijds, en het met toepassing van § 2 van dit artikel verkregen resultaat anderzijds. (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 102, I: 30 juli 1993)]


ART. 21.
§ 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het eerste gedeelte middelen gevormd door de overeenkomstig artikel 13, § 3, per Gewest bekomen bedragen.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het eerste gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld:
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 18, tweede lid;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 19;
3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 20, § 3.

ONDERAFDELING 2 HET TWEEDE GEDEELTE

ART. 22.
§ 1. Voor de berekening van het tweede gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen:
- voor het Vlaamse Gewest: 37,0089 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest: 28,3451 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest: 5,5293 miljard frank.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

§ 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 98 % in aanmerking genomen.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten:
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.


ART. 23.
§ 1. De annuïteiten van de bedragen bekomen met toepassing van artikel 22, § 4, 2°, worden jaarlijks berekend op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en opgeteld op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 2.

§ 2. De overeenkomstig § 1 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten:
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.


ART. 23bis.
[§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 1995 geschiedt de berekening van het tweede gedeelte middelen bovendien aan de hand van een tweede gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen in het begrotingsjaar 1993:
- voor het Vlaamse Gewest: 0,6089 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest: 0,3647 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest: 0,5224 miljard frank.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddeld indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 103, I: 30 juli 1993)]


ART. 24.
§ 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 22, § 4, 1°, en 23, § 2, 1°, worden, voor ieder Gewest, opgeteld.

§ 2. Voor ieder Gewest wordt het met toepassing van § 1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.

§ 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gewesten.


ART. 25.
§ 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 24, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 24, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.

§ 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.

Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.

Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.


ART. 26.
§ 1. De met toepassing van artikel 23, § 2, 2°, voor elk van de drie Gewesten bekomen bedragen worden opgeteld.

§ 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.

§ 3. Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen de met toepassing van artikel 23, § 2, 2° en van § 2 van dit artikel bekomen resultaten.


ART. 27.
§ 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het tweede gedeelte middelen gevormd door de met toepassing van artikel 22, § 3, per Gewest bekomen bedragen.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met [1994 (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 104, I: 30 juli 1993)] wordt het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld:
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 24, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 25, § 2;
3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 26, § 3.

[§ 3. Voor de begrotingsjaren 1995 tot en met 1999 wordt het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld:
1° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 23bis, § 2;
2° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 24, § 3;
3° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 25, § 2;
4° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 26, § 3. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 104, I: 30 juli 1993)]

ONDERAFDELING 3 HET DERDE GEDEELTE

ART. 28.
§ 1. Voor de berekening van het derde gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen:
- voor het Vlaamse Gewest: 33,8303 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest: 25,0478 miljard frank;
- voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest: 5,5993 miljard frank.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten:
1° een gedeelte van 85,7 %;
2° een gedeelte van 14,3 %.


ART. 29.
De annuïteiten van de bedragen bekomen met toepassing van artikel 28, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en opgeteld op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 2.


ART. 30.
§ 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 28, § 3, 1°, en artikel 29 worden voor ieder Gewest opgeteld.

§ 2. Voor ieder Gewest wordt het bedrag bekomen met toepassing van § 1 uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.

§ 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gewesten.


ART. 31.
§ 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 30, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 30, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.

§ 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.

Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.

Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.


ART. 32.
§ 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het derde gedeelte middelen gevormd door de in artikel 28, § 1, bedoelde bedragen.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het derde gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld:
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 30, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 31, § 2.

[ONDERAFDELING 4 HET VIERDE GEDEELTE

(ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 105, I: 30 juli 1993)]

ART. 32bis.
[§ 1. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks voor de drie Gewesten samen het totaal bepaald van:
1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen.

§ 2. Het in § 1 verkregen totaal wordt jaarlijks vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en vanaf het begrotingsjaar 1995 verhoogd met het voor het vorige begrotingsjaar, in § 3 voor de drie Gewesten samen in aanmerking genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, evenals aan een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto-nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar.

Het in vorig lid in aanmerking te nemen procentueel gedeelte van de reële groei van het brutonationaal produkt bedraagt:
- in het begrotingsjaar 1994: 10 pct.;
- in het begrotingsjaar 1995: 15 pct.;
- in het begrotingsjaar 1996: 20 pct.;
- in het begrotingsjaar 1997: 70 pct.;
- in het begrotingsjaar 1998: 75 pct.;
- in het begrotingsjaar 1999: 97,5 pct.

In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het brutonationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de reële groei van het brutonationaal produkt van het voorgaande jaar.

§ 3. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding bepaald van het in § 2 verkregen resultaat tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.

Het vierde gedeelte middelen voor elk Gewest wordt verkregen door dat percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten inzake personenbelasting, volgens de Gewestelijke lokalisatie ervan. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 105, I: 30 juli 1993)]

AFDELING 2 DEFINITIEF STELSEL

ART. 33.
§ 1. Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daarop volgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de middelen per Gewest van het voorgaande begrotingsjaar, exclusief de aan het betrokken Gewest toegekende nationale solidariteitstussenkomst [en de vermindering per gewest bedoeld in artikel 34, eerste lid, 2°. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 15, I: 1 januari 2002)]

§ 2. [Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.

In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 16, I: 1 januari 2002)]

§ 2bis. Indien het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse reële groei van het bruto nationaal produkt tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op basis van een uniforme reële groei van 2 pct. tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.

Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag meer dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een bedrag in aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor het begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.

Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.

§ 3. Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de drie Gewesten samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de totale ontvangsten inzake personenbelasting.

§ 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.


ART. 33bis.
[§ 1. De met toepassing van artikel 33, § 4, verkregen bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2002 jaarlijks verminderd met een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na voorafgaand overleg met de gewestregeringen.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van:
1° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°;
2° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten zoals bedoeld in artikel 4, § 5, in de mate dat deze laatste tot en met het begrotingsjaar 2001 nog niet aan de gewesten werden toegewezen;
3° 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting;
4° de gemiddelde netto-ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belasting zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 9°.

De met toepassing van de 1° tot 3° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen op de wijze als bepaald in artikel 33, § 2.

De met toepassing van de 4° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.

§ 2. Voor het begrotingsjaar 2002 wordt voor elk gewest vertrokken van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°, en van 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting.

De met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.

Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden voor elk gewest de met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen voor elke belasting aangepast aan de evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd beleid. Deze aangepaste bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.

Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2012 wordt jaarlijks voor elk gewest het verschil berekend tussen het bedrag verkregen met toepassing van het tweede lid en het bedrag verkregen met toepassing van het derde lid.

Het met toepassing van het vierde lid verkregen verschil, zo dit positief is, vormt jaarlijks het basisbedrag van de overgangscorrectie.

Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2007 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan 100 % van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie voor het betrokken gewest.

Voor de begrotingsjaren 2008 tot en met 2012 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 16,67 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie.

Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ontvangsten bij ongewijzigd beleid verstaan de werkelijke ontvangsten tenzij deze beïnvloed zijn door het betrokken gewest in het kader van de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheden met betrekking tot de betrokken belasting. In dat geval gebeurt de jaarlijkse aanpassing bedoeld in het derde lid aan de hand van bij wet per belasting vastgestelde objectieve criteria. Het betrokken wetsontwerp wordt vóór 1 januari 2002 ingediend bij de Kamer.

Het met toepassing van deze paragraaf per gewest verkregen bedrag komt in mindering van de in § 1 bedoelde vermindering. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 17, I: 1 januari 2002)]


ART. 34.
[De middelen per gewest worden jaarlijks samengesteld als volgt:
1° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33, § 4;
2° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33bis;
3° de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48.

De middelen bedoeld in het eerste lid, worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 18, I: 1 januari 2002)]

AFDELING 3 BIJKOMENDE MIDDELEN TER FINANCIERING VAN DE PROGRAMMA'S VOOR WEDERTEWERKSTELLING VAN WERKLOZEN

ART. 35.
§ 1. Wat de financiële tegemoetkoming betreft die is bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag dat overeenstemt met een werkloosheidsvergoeding toegekend aan het betrokken Gewest voor elke voltijds uitgedrukte arbeidsplaats die door dat Gewest ten laste wordt genomen, op voorwaarde dat het bewijs geleverd wordt:
a) van de tewerkstelling uitgedrukt in een voltijdse eenheid;
b) [van de hoedanigheid van niet-werkende werkzoekende van de tewerkgestelde werknemers; (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 19, I: 1 januari 2001)]
c) dat deze werknemers aangeworven worden met een arbeidsovereenkomst.

[Wat de financiële tegemoetkoming betreft die is bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag dat overeenstemt met een werkloosheidsvergoeding toegekend aan het betrokken gewest voor elke voltijds uitgedrukte arbeidsplaats die door dat gewest ten laste wordt genomen, op voorwaarde dat het bewijs wordt geleverd:
a) van de tewerkstelling uitgedrukt in een voltijdse eenheid;
b) dat elke arbeidsplaats wordt ingenomen door een werknemer die is tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of op basis van een statuut. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 19, I: 1 januari 2001)]

§ 2. Na overleg met de betrokken Regeringen bepaalt de Koning de modaliteiten van de bewijzen die de Gewesten moeten leveren.

§ 3. Het totale bedrag van de financiële tegemoetkomingen bedoeld in § 1 wordt jaarlijks in de begroting van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid ingeschreven, na overleg met de betrokken Regeringen.

§ 4. De verschuldigde financiële tegemoetkomingen worden overgedragen aan de Gewesten per trimestriële voorschotten berekend op basis van het aantal in § 1 bedoelde arbeidsplaatsen tijdens het voorafgaand burgerlijk jaar uitgedrukt in voltijdse eenheden. De definitieve afrekening geschiedt op basis van de effectieve tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden van het lopende burgerlijk jaar.

§ 5. De Koning bepaalt de datum en de betalingsmodaliteiten van de trimesteriële voorschotten en van het resterende verschuldigde saldo.

[AFDELING 4 BIJKOMENDE MIDDELEN

(ing. Bijz. W. 16 juli 1993 art. 108, I: 30 juli 1993)]

ART. 35bis.
[§ 1. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaamse Gewest:
- in het begrotingsjaar 1993: 0,2768 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1994: 0,5424 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1995: 0,8535 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1996: 1,3382 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1997: 1,3633 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1998: 1,5540 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1999: 1,7207 miljard frank.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Waalse Gewest:
- in het begrotingsjaar 1993: 0,4695 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1994: 0,5954 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1995: 0,7431 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1996: 0,8781 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1997: 0,9849 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1998: 1,0755 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1999: 1,1545 miljard frank. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 109, I: 30 juli 1993)]


ART. 35ter.
[§ 1. Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen met toepasing van deze afdeling voor het vorige begrotingsjaar, voor het Vlaamse en het Waalse Gewest samen.

§ 2. Ieder jaar wordt het met toepassing van § 1 verkregen totaal aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het brutonationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.

§ 3. Het met toepassing van § 2 verkregen resultaat wordt omgeslagen over het Vlaamse en het Waalse Gewest volgens de verdeelsleutel:
- voor het Vlaamse Gewest: 61,96 pct.;
- voor het Waalse Gewest: 38,04 pct. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 110, I: 30 juli 1993)]


ART. 35quater.
[§ 1. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de aanvullende bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 653 499,39 EUR, voor het Waals Gewest 13 292 050,80 EUR en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 917 206,04 EUR.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2.

De saldi die op 31 december 2001 beschikbaar zijn op de begrotingsfondsen worden aan de gewesten overgemaakt voorzover zij betrekking hebben op aangelegenheden die worden overgedragen met toepassing van artikel 2 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. De bedragen van deze saldi worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de gewestregeringen. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 20, I: 1 januari 2002)]


ART. 35quinquies.
[Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 425 437,35 EUR en voor het Waals Gewest 19 268 763,68 EUR.

Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in het eerste lid bedoelde bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 21, I: 1 januari 2002)]


ART. 35sexies.
[Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 14 873 611,49 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.

Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.

Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en verdeeld volgens de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 22, I: 1 januari 2002)]


ART. 35septies.
[Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 6 114 434,94 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.

Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.

Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2, en over de gewesten verdeeld volgens het aandeel van elk gewest in het totaal van het met toepassing van de artikelen 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies en 48 voor de drie gewesten samen verkregen bedrag. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 23, I: 1 januari 2002)]


ART. 35octies.
[De middelen bedoeld in deze afdeling worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 24, I: 1 januari 2002)]

HOOFDSTUK III DE GEMEENSCHAPPEN

ART. 36.
[De middelen per gemeenschap worden jaarlijks als volgt samengesteld:
1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
2° het, naargelang het geval, in artikel 46 of 47 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting;
3° de in artikel 47bis bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 25, I: 1 januari 2002)]

AFDELING 1 [... (opgeh. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 121, I: 30 juli 1993)]

ART. 37.
[... (opgeh. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 121, I: 30 juli 1993)]

AFDELING 2 HET TOEGEWEZEN GEDEELTE VAN DE OPBRENGST VAN DE BELASTING OP DE TOEGEVOEGDE WAARDE

ART. 38.
§ 1. De basisbedragen worden vastgesteld op:
- voor de Vlaamse Gemeenschap: 167,4389 miljard frank;
- voor de Franse Gemeenschap: 128,9468 miljard frank.

§ 2. Voor 1989 wordt er evenwel een uitzonderlijke en niet terugkerende vermindering van 6,1023 miljard frank toegepast op het bedrag bedoeld in § 1 voor de Vlaamse Gemeenschap en van 4,6902 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor de Franse Gemeenschap.

§ 3. [Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.

In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar worden de verkregen bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 26, I: 1 januari 2002)]

[§ 3bis. Voor beide gemeenschappen samen worden de volgende bedragen bepaald:
1° voor het begrotingsjaar 2002: een bedrag van 198 314 819,82 EUR;
2° voor het begrotingsjaar 2003: een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
3° voor het begrotingsjaar 2004: een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
4° voor het begrotingsjaar 2005: een bedrag van 371 840 287,16 EUR;
5° voor het begrotingsjaar 2006: een bedrag van 123 946 762,39 EUR;
6° voor de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011: een bedrag van 24 789 352,48 EUR.

§ 3ter. Voor het begrotingsjaar 2002 is het totaal bedrag gelijk aan het met toepassing van § 3 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag verhoogd met het voor het begrotingsjaar 2002 in § 3bis bepaalde bedrag.

Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2006 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bedoeld in § 3.

Voor elk van de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.

Vanaf het begrotingsjaar 2012 is het totaal bedrag, voor beide gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.

In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar gebeurt de in het derde en vierde lid bedoelde aanpassing aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 26, I: 1 januari 2002)]

§ 4. De met toepassing van § 3 bekomen bedragen worden jaarlijks vermenigvuldigd met een aanpassingsfactor.

Deze aanpassingsfactor wordt bekomen door voor de Vlaamse respectievelijk de Franse Gemeenschap de verhouding te berekenen van:
1° enerzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap, op 30 juni van het voorgaande begrotingsjaar, vermeerderd met 20 % van de daling of in voorkomend geval verminderd met 20 % van de stijging van dat aantal in vergelijking met 30 juni 1988;
2° en anderzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap op 30 juni 1988.

De grootste verhouding wordt weerhouden.

De aanpassingsfactor wordt jaarlijks vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit in overleg met de Gemeenschapsregeringen.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Vlaamse Gemeenschap geacht gelijk te zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het Nederlands taalgebied, vermeerderd met 20 % van het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Franse Gemeenschap geacht gelijk te zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het Frans taalgebied, vermeerderd met 80 % van het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

[§ 5. Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag, na aftrek van het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag, jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor.

Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt verhoogd met het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag.

Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 26, I: 1 januari 2002)]


ART. 39.
§ 1. [De met toepassing van artikel 38, § 4 verkregen bedragen worden jaarlijks opgeteld. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 27, I: 1 januari 2002)]

§ 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1998 omgeslagen over de Gemeenschappen volgens de verdeling van het huidig aantal leerlingen, te weten:
- voor de Vlaamse Gemeenschap: 57,55 %;
- voor de Franse Gemeenschap: 42,45 %.

Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt deze verdeelsleutel aangepast aan de verdeling van het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde objectieve criteria.

Het aldus bekomen resultaat vormt het basisbedrag voor iedere Gemeenschap.


ART. 40.
§ 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt voor iedere Gemeenschap het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 38 bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 39, § 2, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het basisbedrag van de overgangscorrectie.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1989, 1990 en 1991 is de overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.

Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten verminderend percentage van het basisbedrag van de overgangscorrectie.

Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.


ART. 40bis.
[Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks het verschil bepaald tussen het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag enerzijds en het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag anderzijds. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 28, I: 1 januari 2002)]


ART. 40ter.
[§ 1. Voor de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag in twee gedeelten opgesplitst.

Het eerste gedeelte bedraagt:
1° voor het begrotingsjaar 2002: 35 %;
2° voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2009: een jaarlijks met 5 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 1° vastgestelde percentage;
3° voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2011: een jaarlijks met 10 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 2° voor het begrotingsjaar 2009 verkregen percentage.

Voor elk van de betrokken begrotingsjaren is het tweede gedeelte gelijk aan het verschil tussen het in het eerste lid bedoelde bedrag en het in het tweede lid bepaalde gedeelte.

§ 2. Het met toepassing van § 1, tweede lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.

§ 3. Het met toepassing van § 1, derde lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld volgens het aantal leerlingen in elke gemeenschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria bedoeld in artikel 39, § 2.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 29, I: 1 januari 2002)]


ART. 41.
De middelen bedoeld in deze afdeling worden per Gemeenschap als volgt samengesteld:
1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 39, § 2;
2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 40, § 2;
[3° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 40ter. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 30, I: 1 januari 2002)]

AFDELING 3 HET TOEGEWEZEN GEDEELTE VAN DE OPBRENGST VAN DE PERSONENBELASTING

 

ONDERAFDELING 1 OVERGANGSPERIODE

ART. 42.
§ 1. De basisbedragen worden vastgesteld op:
- voor de Vlaamse Gemeenschap: 47,6638 miljard frank;
- voor de Franse Gemeenschap: 37,5229 miljard frank.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele veranderingen van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde bedragen worden vervolgens opgesplitst in twee gedeelten:
1° een gedeelte van 85,7%;
2° een gedeelte van 14,3 %.


ART. 43.
De annuïteiten van de bedragen bedoeld in artikel 42, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend op analoge wijze als bepaald in artikel 16, § 1, en opgeteld op analoge wijze als bepaald in artikel 16, § 2.


ART. 44.
§ 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 42, § 3, 1°, en artikel 43 worden voor iedere Gemeenschap opgeteld.

§ 2. Voor iedere Gemeenschap wordt het met toepassing van § 1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in de betrokken Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.

Wat de Vlaamse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de personenbelasting gevormd door de in het Nederlands taalgebied gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 20 % van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting.

Wat de Franse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de personenbelasting gevormd door de in het Frans taalgebied gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 80 % van de opbrengst van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting.

Voor de toepassing van dit artikel worden de ontvangsten, gelokaliseerd in elk taalgebied, inzake personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, § 2, jaarlijks vastgesteld op basis van de meest recente gegevens, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na voorafgaand overleg met de Gewest- en Gemeenschapsregeringen.

§ 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.


ART. 45.
§ 1. Voor iedere Gemeenschap wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 44, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 44, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.

§ 2. Voor het begrotingsjaar 1989 is de overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.

Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.

Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.


ART. 45bis.
[§ 1. Voor het begrotingsjaar 1993 wordt een basisbedrag bepaald van 4,5 miljard frank.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks voor de beide Gemeenschappen samen het totaal bepaald van:
1° de basisbedragen verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
2° de bedragen van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.

§ 3. Het in § 2 verkregen totaal wordt jaarlijks vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en vanaf het begrotingsjaar 1994 verhoogd met het voor het vorige begrotingsjaar, in § 4 voor de beide Gemeenschappen samen in aanmerking genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar.

Het in het vorige lid in aanmerking te nemen procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt bedraagt:
- in het begrotingsjaar 1994: 10 pct.;
- in het begrotingsjaar 1995: 15 pct.;
- in het begrotingsjaar 1996: 20 pct.;
- in het begrotingsjaar 1997: 70 pct.;
- in het begrotingsjaar 1998: 75 pct.;
- in het begrotingsjaar 1999: 97,5 pct.

In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.

§ 4. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding bepaald van, naargelang het geval, het in § 1 bepaalde bedrag of het in § 3 verkregen resultaat, tot het totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2, uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.

Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus verkregen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen. (ing. bij Bijz. W. 16 juli 1993, art. 111, I: 30 juli 1993)]


ART. 45ter.
[§ 1. Voor het begrotingsjaar 1993 wordt een basisbedrag vastgesteld van 5,065 miljard frank.

Vanaf het begrotingsjaar 1994 tot en met het begrotingsjaar 1999 wordt dit bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding van het in § 1 verkregen bedrag tot het totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2, uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.

§ 3. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus verkregen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 112, I: 30 juli 1993)]


ART. 46.
[§ 1.Voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1992 worden de middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap, als volgt samengesteld:
1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 worden de middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap als volgt samengesteld:
1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2;
3° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45bis, § 4;
4° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45ter, § 3. (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 113, I: 30 juli 1993)]

ONDERAFDELING 2 DEFINITIEF STELSEL

ART. 47.
§ 1. Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de middelen per Gemeenschap van het voorgaande begrotingsjaar.

§ 2. [Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 31, I: 1 januari 2002)]

§ 2bis. Indien het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse reële groei van het bruto nationaal produkt tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op basis van een uniforme reële groei van 2 pct. tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.

Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag méér dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een bedrag in aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor het begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.

Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.

§ 3. [Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de twee gemeenschappen samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de in beide gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 32, I: 1 januari 2002)]

§ 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de in elke Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2.

[AFDELING 4 DE DOTATIE TER COMPENSATIE VAN HET KIJK- EN LUISTERGELD

(ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 33, I: 1 januari 2002)]

ART. 47bis.
[§ 1. Aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap wordt jaarlijks een dotatie toegekend ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Het basisbedrag van deze dotatie wordt per gemeenschap bepaald als het gemiddelde voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 van de in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de Franse Gemeenschap gelokaliseerde netto-opbrengst van het kijk- en luistergeld, met inachtneming van de lokalisatiecriteria zoals bepaald in § 3. De netto-opbrengst wordt uitgedrukt in prijzen van 2002.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt het met toepassing van § 1 verkregen bedrag per gemeenschap jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.

§ 3. Voor de toepassing van § 1 wordt het kijk- en luistergeld geacht gelokaliseerd te zijn als volgt: op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is.

Aan de Franse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Franse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 80 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

Aan de Vlaamse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Nederlandse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 20 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 34, I: 1 januari 2002)]

TITEL V DE NATIONALE SOLIDARITEITSTUSSENKOMST

ART. 48.
§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 1990 wordt jaarlijks een nationale solidariteitstussenkomst toegekend aan het Gewest waarvan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner lager ligt dan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner voor het Rijk.

§ 2. Het basisbedrag van de nationale solidariteitstussenkomst bedraagt 468 frank per inwoner en per procentpunt dat de gemiddelde opbrengst lager ligt. De gemiddelde opbrengst wordt berekend op basis van de cijfers vastgesteld overeenkomstig artikel 7, § 2.

Vanaf het begrotingsjaar 1989 wordt het basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2. [Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 35, I: 1 januari 2002)]

TITEL VI LENINGEN

ART. 49.
[§ 1. De gemeenschappen en de gewesten kunnen leningen aangaan in euro of in deviezen.

§ 2. De programmatie van de openbare leningen wordt vastgesteld door de Ministerraad na overleg met de regeringen.

De voorwaarden en de uitgiftekalender van elke openbare lening worden ter goedkeuring aan de minister van Financiën voorgelegd.

Indien deze goedkeuring door de Minister van Financiën wordt geweigerd, kan de betrokken regering vragen dat de kwestie ter beslissing aan de Ministerraad wordt voorgelegd.

§ 3. De gemeenschappen en de gewesten kunnen privé-leningen en kortlopende effecten uitgeven na de Minister van Financiën terzake te hebben geïnformeerd. De modaliteiten van de mededeling en de inhoud van deze informatie maken het voorwerp uit van een overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de regeringen. (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 36, I: 1 januari 2002)]

§ 4. [... (opgeh. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 36, I: 1 januari 2002)]

§ 5. De instellingen van openbaar nut die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten zijn onderworpen aan de bepalingen [van § 2 (verv. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 36, I: 1 januari 2002)]. Deze bepalingen worden op hen toegepast door tussenkomst van de betrokken Regering.

§ 6. Binnen de Hoge Raad van Financiën richt de Koning een afdeling "Financieringsbehoeften van de overheid" op. Deze afdeling telt twaalf leden, aangeduid door de Koning, op grond van hun bijzondere bevoegdheid en ervaring op financieel-economisch gebied, op voordracht van de Ministers van Financiën en van Begroting. De helft van de leden wordt voorgedragen op voorstel van de Regeringen. De andere helft omvat de vertegenwoordiger van de Minister van Financiën in het bureau van deze Raad, alsook drie leden voorgesteld door de Nationale Bank van België, waaronder de vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België in het genoemde bureau. De afdeling telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De Koning regelt de samenstelling en werking van de afdeling evenals het stelsel van de onverenigbaarheden bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen na advies van de Regeringen.

De afdeling stelt jaarlijks een advies op over de financieringsbehoeften van de overheden.

De afdeling kan ambtshalve of op vraag van de Minister van Financiën een advies uitbrengen over de opportuniteit de leningcapaciteit van een overheid te beperken, in functie van de noodzaak om de economische unie en de monetaire eenheid niet in het gedrang te brengen, verstoringen van het interne en externe monetaire evenwicht te vermijden en een structurele ontsporing van de financieringsbehoeften te voorkomen.

Ieder advies van de afdeling wordt medegedeeld aan de Federale Regering en desgevallend aan de betrokken Regering.

Bij de beoordeling van de financieringsbehoeften van de overheden houden de ter uitvoering van deze paragraaf opgestelde adviezen niet alleen rekening met de financieringsbehoeften van de betrokken overheden zelf, maar ook met die van de instellingen waarvan de financiële dienst de begroting van die overheden bezwaart.

§ 7. Na het advies van de in § 6 genoemde afdeling te hebben ontvangen, kan de Koning, op voorstel van de Minister van Financiën en bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor een periode van ten hoogste twee jaar de leningmogelijkheid van een Gemeenschap of Gewest beperken. Dat besluit wordt genomen na overleg met de betrokken Regering.

Zolang het in voorgaand lid vermelde besluit van kracht is, worden alle leningen bedoeld in § 3 van de betrokken Gemeenschap, het betrokken Gewest of de instellingen bedoeld in § 5 voorgelegd aan de goedkeuring van de Minister van Financiën.

§ 8. Jaarlijks wordt bij de middelenbegroting van de Gemeenschappen en de Gewesten een staat gevoegd over hun totale uitstaande schuld op 31 december van de laatste drie jaren.

Maandelijks wordt een gedetailleerde staat van de totale uitstaande schuld van iedere Gemeenschap en ieder Gewest medegedeeld aan de Minister van Financiën. Deze staat wordt maandelijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Onder schuld wordt in deze paragraaf verstaan de schuld van de Gemeenschappen en Gewesten, met inbegrip van de verbintenissen van instellingen waarvan de financiële dienst de begroting van de Gemeenschappen en Gewesten bezwaart.


ART. 49bis.
[De bepalingen van artikel 49 met uitzondering van § 6, eerste lid, zijn van toepassing op de krachtens artikel 138 van de Grondwet toegekende bevoegdheden aan de Franse Gemeenschapscommissie. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 37, I: 1 januari 2002)]

TITEL VII BEPALINGEN VAN BUDGETTAIRE EN FINANCIELE ORGANISATIE

 

ART. 50.
§ 1. [Elke Parlement (verv. Bijz. W. 27 maart 2006, art. 11, I: 21 april 2006)] keurt jaarlijks de begroting goed en sluit de rekeningen af.

De algemene rekening van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt, samen met de opmerkingen van het Rekenhof, aan [hun Parlement (verv. Bijz. W. 27 maart 2006, art. 11, I: 21 april 2006)] overgezonden.

Alle ontvangsten en uitgaven worden ingeschreven in de begroting en de rekeningen.

§ 2. De wet bepaalt de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de begrotingen en de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook op de organisatie van de controle uitgeoefend door het Rekenhof.

Wat de instellingen van openbaar nut betreft die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, bepaalt de wet de algemene bepalingen betreffende de organisatie van de controle door het Rekenhof.

De wet bepaalt de algemene bepalingen op de controle inzake het verlenen en het gebruik van subsidies.


ART. 51.
De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren een eigen administratieve- en begrotingscontrole en doen daartoe een beroep op inspecteurs van Financiën die hun ter beschikking worden gesteld en onder hun gezag staan.

De inspecteurs van Financiën stellen hun verslagen op in volle onafhankelijkheid, en delen deze alleen mee aan de [Regering (verv. Bijz. W. 13 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)] waaronder zij ressorteren.

Na akkoord van de [Regeringen (verv. Bijz. W. 13 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)], organiseert de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het korps van de Inspectie van Financiën, de betrokkenheid van de Gemeenschappen en de Gewesten aan het beheer ervan alsook de terbeschikkingstelling van de inspecteurs van Financiën bij de Gemeenschappen en Gewesten met het oog op de uitvoering van de opdrachten die hun krachtens het eerste lid zijn toevertrouwd.


ART. 52.
De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren hun eigen thesaurie, volgens modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de [Regeringen (verv. Bijz. W. 13 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)]. Gedurende een overgangsperiode van twee jaar eindigend op 31 december 1990 wordt de thesaurie van de Gemeenschappen en de Gewesten evenwel waargenomen door de thesaurie van de Staat, volgens modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de [Regeringen (verv. Bijz. W. 13 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)].



ART. 53.
De Rijksmiddelenbegroting bepaalt:
1° de bedragen vastgesteld, per Gewest, van de belastingen bedoeld in artikel 3, behalve wanneer het Gewest gebruik maakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3;
1°bis [... (opgeh. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 38, I: 1 januari 2002)]
2° de bedragen vastgesteld per Gemeenschap en bedoeld in artikel 36;
3° de bedragen vastgesteld per Gewest en bedoeld in de artikelen 12 en 34.

Over het ontwerp houdende de Rijksmiddelenbegroting wordt inzake deze punten vooraf overleg gepleegd tussen de federale overheid en de Gemeenschaps- en Gewestregeringen. Over het bedrag van de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48 wordt hetzelfde voorafgaand overleg gepleegd.


ART. 54.
§ 1. De middelen bedoeld in Titel II, die krachtens een internationaal verdrag aan de federale overheid worden gestort, worden door deze laatste aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest overgemaakt op het einde van de maand die volgt op de maand waarin ze worden geïnd.

Onverminderd artikel 5, § 3, worden de middelen bedoeld in Titel III en in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, door het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van het Gewest overgemaakt op het einde van de maand die volgt op de maand waarin ze door het Ministerie van Financiën worden geïnd.

De middelen bedoeld in Titel IV, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, worden, op de eerste werkdag van elke maand, door het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest overgemaakt ten belope van één twaalfde van het begrote bedrag. Elk twaalfde is een voorschot dat verrekend wordt met de opbrengst van de inning van de betrokken belasting gedurende dezelfde maand. Na afloop van het jaar deelt het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest een tabel mee die, voor iedere maand van het afgelopen jaar, het bedrag van het gestorte twaalfde en het bedrag van het overeenkomstige deel van de werkelijk ontvangen opbrengst van de toegewezen belasting aangeeft. Het positieve saldo ten voordele van de Gemeenschap of van het Gewest wordt maandelijks geboekt als een lening aan het Ministerie van Financiën. Het positieve saldo ten voordele van het Ministerie van Financiën wordt maandelijks geboekt als een lening aan de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest. De financiële modaliteiten van deze verrichtingen worden geregeld door een overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de [Regeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)].

De middelen bedoeld in Titel V worden, op de eerste werkdag van elke maand, door het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van het Gewest overgemaakt ten belope van één twaalfde van het begrote bedrag.

§ 2. In geval van overschrijding van deze termijnen of van ontoereikende storting en na mededeling daarvan aan de Minister van Financiën, heeft de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest het recht een lening aan te gaan bij een vooraf in akkoord met de Minister van Financiën aangeduide kredietinstelling. Deze lening geniet van rechtswege de staatswaarborg. Het financiële stelsel van deze lening maakte het voorwerp uit van een algemene vooraf gesloten overeenkomst tussen de Minister van Financiën, elke [Regering (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)] en de betrokken kredietinstelling.

De financiële dienst van deze lening is rechtstreeks ten laste van de Staat.

TITEL VIII DIVERSE BEPALINGEN

ART. 55.
§ 1. De aandelen en vorderingen van de Nationale Maatschappij voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren (NMNS) in en ten opzichte van de ondernemingen, investen inbegrepen, die in het Vlaamse Gewest, in het Waalse Gewest en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, worden respectievelijk aan het Fonds voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren in het Vlaamse Gewest (FNSV), aan het "Fonds pour la restructuration des Secteurs nationaux en Région wallonne (FSNW)" en aan de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel (GIMB) overgedragen.

Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze wet.

De inventaris van de aandelen en vorderingen die aan iedere instelling worden overgedragen, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, ten laatste één maand na de inwerkingtreding van deze wet.

§ 2. Op de datum van inwerkingtreding van onderhavige wet worden aan de fondsen en de GIMB bedoeld in § 1, ieder voor wat hem betreft, de financiële middelen overgedragen die overeenstemmen met de saldi van de op die datum bestaande reconversie-enveloppes. De fondsen moeten de beleggingsopbrengst van deze financiële middelen aan de NMNS storten, zolang die middelen niet voor reconversieprojecten aangewend zijn.

De stortingsmodaliteiten van de beleggingsopbrengst zullen, na overleg met de betrokken [Regeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)], bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden bepaald.

§ 3. Iedere verkrijgende instelling bedoeld onder § 1 draagt kapitaalsaandelen over aan de overdragende instelling, voor een bedrag dat overeenstemt met de krachtens §§ 1 en 2 ontvangen aandelen, vorderingen en financiële middelen.

§ 4. De Nationale Maatschappij voor de Nationale Sectoren draagt onverwijld aan de Staat alle aandelen over, die zij bezit in de instellingen bedoeld onder § 1, met inbegrip van de aandelen bedoeld in § 3. De Staat draagt deze op zijn beurt onverwijld en kosteloos over aan de bevoegde Gewesten.

§ 5. De overdracht van aandelen, vorderingen en financiële middelen bedoeld in §§ 1 en 2 zijn vrijgesteld van registratierechten.

§ 6. Vanaf 1 januari 1989 worden de in artikel 12 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren bedoelde bevoegdheden van de Staat uitgeoefend door het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, ieder voor wat betreft de ondernemingen die op zijn grondgebied zijn gevestigd.

§ 7. De Gewesten moeten, ieder voor wat hem betreft, in de nodige middelen voorzien om de verbintenissen na te komen, die werden aangegaan respectievelijk door het FNSV en het FSNW, en die reeds bestonden op de datum van inwerkingtreding van deze wet.

§ 8. De Staatswaarborg toegekend bij koninklijk besluit van 29 juni 1981 tot oprichting van een Belgische Maatschappij voor de Financiering van de Nijverheid, wordt, tot 31 december 2004, behouden ten belope van een bedrag van 20 miljard frank voorzien voor de staalsector, aan de voorwaarden bepaald in voormeld koninklijk besluit.

De Staatswaarborg toegekend in toepassing van de wet van 23 augustus 1948 strekkende tot het in stand houden en het uitbreiden van de koopvaardij- en de vissersvloot en de scheepsbouw en houdende instelling ten dien einde, van een Fonds voor het uitreden en het aanbouwen van zeeschepen, wordt, tot 31 december 2004, behouden op het huidige bedrag van 18 miljard frank, aan de voorwaarden in deze wet voorzien.

§ 9. De schuldvorderingen op het FSNW, ingevolge de Overeenkomst betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 4 juni 1984, genieten een bijzonder voorrecht op:
1° de successierechten aan het Waalse Gewest toegekend met toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
2° de schuldvorderingen die het FSNW bezit op de ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkoolmijnen, scheepsbouw en scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze ondernemingen bezit.

De schuldvorderingen op het FNSV, ingevolge de overeenkomst betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 16 juli 1987, genieten een bijzonder voorrecht op:
1° de successierechten aan het Vlaamse Gewest toegekend met toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
2° de schuldvorderingen die het FNSV bezit op de ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkoolmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze ondernemingen bezit.

Het bijzonder voorrecht bedoeld in onderhavige paragraaf neemt rang onmiddellijk na deze voorzien bij artikel 20, 4°, van de wet van 16 december 1851, betreffende de voorrechten en hypotheken.

§ 10. De vorderingen van het Fonds voor het Scheepskrediet alsook het saldo van het Fonds op postcheckrekening worden aan het Vlaamse Gewest overgedragen bij de inwerkingtreding van deze wet.

Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze wet.

§ 11. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te nemen welke voortvloeien uit beslissingen die door de nationale overheid vóór de inwerkingtreding van deze wet werden genomen met toepassing van de wet van 17 juli 1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën, de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie of de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering en die betrekking hebben op ondernemingen die behoren tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes.


ART. 56.
§ 1. Als saldi voor de eerste, tweede en derde opdracht van het Fonds voor Industriële Vernieuwing, bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor Industriële Vernieuwing worden aan de Gewesten de volgende bedragen overgedragen:
876,8 miljoen frank aan het Vlaamse Gewest;
547,3 miljoen frank aan het Waalse Gewest;
237,7 miljoen frank aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

Deze bedragen worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na overleg met de betrokken [Regeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)], verminderd met de na 30 november 1988 op de begroting van het jaar 1988 geordonnanceerde bedragen. Dat koninklijk besluit wordt genomen binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.

§ 2. Voor het jaar 1989 wordt aan het Fonds voor Industriële Vernieuwing een bedrag van 400 miljoen frank toegekend voor de betaling van de voor de inwerkingtreding van deze wet aangegane verbintenissen voor het Brusselse Gewest. Het saldo van dit bedrag op 31 december 1989 zal aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest worden overgedragen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen, na overleg met de betrokken [Regering (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)], vóór 1 april 1990.


ART. 57.
§ 1. In afwijking van artikel 12 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die uitsluitend voor het Nederlandstalig of voor het Franstalig onderwijs worden aangewend, overgedragen, zonder vergoeding, respectievelijk aan de Vlaamse Gemeenschap en aan de Franse Gemeenschap.

§ 2. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die ressorteren onder de bevoegdheid van de Gewesten krachtens artikel 6, § 1, III, 8° en X, van dezelfde wet, alsmede de grote waterbouwkundige werken, overgedragen, zonder vergoeding, aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest naar gelang van hun ligging.

§ 3. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980 worden zonder vergoeding naar de Gewesten overgedragen, ieder wat hem betreft, de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die verworven of gebouwd werden ingevolge beraadslagingen na 1 januari 1975 van de ministeriële comités voor de Gewestelijke Vlaamse, Waalse en Brusselse aangelegenheden, ingesteld door de wet van 1 augustus 1974 tot oprichting van de gewestelijke instellingen ter voorbereiding van de toepassing van artikel 107quater van de Grondwet.

In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980 worden zonder vergoeding overgedragen naar de Gemeenschappen, ieder wat haar betreft, de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die verworven of gebouwd werden:
1° hetzij ingevolge een beslissing die na 1 januari 1972 door de Ministers van Cultuur werd genomen;
2° hetzij ingevolge beraadslagingen na 1 januari 1980 van de ministeriële comités voor de Nederlandse Gemeenschap en voor de Franse Gemeenschap, ingesteld door de wet van 5 juli 1979.

§ 4. De in §§ 1 tot 3 bedoelde overdrachten worden van rechtswege uitgevoerd. Zij zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet.

Onverminderd het eerste lid van deze paragraaf, wordt de lijst van de goederen waarvan sprake is in de §§ 1 tot 3 opgemaakt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend advies van de Gemeenschaps- en [Gewestregeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)], en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

§ 5. De Gemeenschappen en de Gewesten nemen de rechten en verplichtingen van de Staat betreffende de hen krachtens dit artikel overgedragen goederen over, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.

De Staat blijft echter de verantwoordelijkheid dragen voor de verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering kon worden geëist voor de eigendomsoverdracht wat de goederen betreft waarvan sprake is in dit artikel.

§ 6. Voor ieder goed dat wordt overgedragen, bezorgt de Staat aan de betrokken Gemeenschap of aan het betrokken Gewest de akten en bescheiden, met inbegrip van de uittreksels uit de kadastrale leggers en uit het kadastraal plan, met vermelding van de rechten, lasten en verplichtingen verbonden aan het goed.

De inventaris van deze akten en bescheiden wordt zo spoedig mogelijk opgemaakt. Deze inventaris wordt ondertekend door de Minister van Financiën of door de Minister die het goed beheerde of door hun afgevaardigde en door de betrokken [Regering (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)] of haar afgevaardigde.

§ 7. Indien er een geschil rijst in verband met een overgedragen goed, kan de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest de Staat bij de zaak betrekken en kan deze laatste steeds in de zaak tussenkomen.


ART. 58.
§ 1. De Gewestelijke Economische Raad voor Brabant wordt afgeschaft op de door de Koning bepaalde datum, bij een in Ministerraad overlegd besluit.

§ 2. Met het oog op de afschaffing van de in § 1 vermelde instelling regelt de Koning, bij in Ministerraad overlegde besluiten, de ontbinding alsmede alle daarmee verband houdende vraagstukken, met name de overdracht van de personeelsleden, goederen, rechten en verplichtingen van de instelling aan de Gewesten, ieder wat hem betreft.

De bestaande schuldenlast in de Gewestelijke Economische Raad voor Brabant zal worden verdeeld over de Gewesten en dat in functie van de ongelijkmatige bijdrage die ieder van hen in de voorbije jaren heeft geleverd met het oog op de beheersing of vermindering van die schuldenlast.

§ 3. In de in § 2 bedoelde koninklijke besluiten worden, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel, de modaliteiten inzake de overdracht van personeelsleden en de maatregelen voor het waarborgen van hun rechten vastgesteld, met inachtneming van de beginselen vermeld in artikel 88, § 2, tweede, derde en vierde lid van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

§ 4. Het bedrag van het pensioen dat, ter uitvoering van § 2, aan de overgedragen personeelsleden zal worden toegekend, alsook het bedrag van het pensioen van hun rechthebbenden mag niet minder zijn dan het bedrag van het pensioen dat aan de belanghebbende zou zijn toegekend overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen die op hen van toepassing waren op het ogenblik van de overdracht, waarbij echter rekening wordt gehouden met de wijzigingen die later in deze bepalingen zijn aangebracht krachtens algemene maatregelen die van toepassing zijn op alle instellingen die behoren tot de categorie waarvan de af te schaffen instelling deel uitmaakt.

De modaliteiten betreffende de tenlasteneming van de bijkomende uitgaven die voortvloeien uit de bij het voorgaande lid ingestelde waarborg, kunnen door de Koning worden vastgesteld, op voorstel van de Minister tot wiens bevoegdheid de Administratie der Pensioenen behoort.

§ 5. De in §§ 2 en 3 bedoelde koninklijke besluiten worden genomen na advies van de betrokken [Gewestregeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)].

§ 6. De bepalingen van de wet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie worden, op de datum van inwerkingtreding van het in § 1 bedoelde koninklijk besluit, opgeheven voor zover ze betrekking hebben op de Gewestelijke Economische Raad voor Brabant.

De Koning kan voormelde wet aanpassen teneinde de tekst ervan in overeenkomst te brengen met de in het vorig lid vermelde opheffingen.

Daartoe kan Hij:
1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de vorm van de bepalingen wijzigen;
2° de verwijzingen wijzigen die zouden zijn vervat in de te vereenvoudigen bepalingen met het oog op de overeenstemming ervan met de nieuwe nummering;
3° de tekst van de te coördineren bepalingen wijzigen met het oog op de overeenstemming ervan en de eenvormigheid in de terminologie, zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de in deze bepalingen vastgestelde beginselen.


ART. 59.
Artikel 91bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt aangevuld met de volgende bepalingen:
"§ 2. De koning bepaalt, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel en bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de datum en de regels omtrent de overdracht van het personeel van de Fondsen bedoeld in § 1. De bepalingen van artikel 88, § 2, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op die overdracht.

De personeelsleden bedoeld bij deze paragraaf worden naar de Gemeenschappen overgebracht, bij in Ministerraad overlegde koninklijke besluiten."



ART. 60.
In artikel 18 van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 4 worden de woorden "artikel 14" geschrapt;
2° hetzelfde artikel 18 wordt aangevuld met een § 5 luidend als volgt:

"§ 5. Artikel 14 treedt in werking op dezelfde datum als de wet bedoeld bji de artikelen 59bis, § 6, en 115 van de Grondwet, behalve wat het personeel van de Fondsen betreft.

Voor dit personeel treedt artikel 14 in werking op de door de Koning bij een in Ministerraad overlegd vastgestelde datum."


ART. 61.
§ 1. Tenzij in deze wet anders wordt bepaald, nemen de Gemeenschappen en Gewesten de rechten en verplichtingen van de Staat over die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.

Blijven echter ten laste van de Staat de verplichtingen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de leningen aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet:
- door het Wegenfonds;
- in het kader van de wet van 8 januari 1981 met betrekking tot de consolidatieleningen ten gunste van de Brusselse ondergeschikte besturen en van artikel 51 van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten;
- in het kader van het koninklijk besluit nr. 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor industriële vernieuwing;
- door de maatschappijen voor intercommunaal gemeenschappelijk vervoer die aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten laste van artikel 31.03 van de begroting van het Ministerie van Verkeerswezen;
- door de N.V. Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel die aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten laste van artikel 21.02 en artikel 51.08 van de begroting van Openbare Werken;
- in toepassing van de raamkontrakten van 30 maart 1979, van 1 juni 1981 en van 15 juni 1981 met de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid en van 2 juli 1979 aangegaan met de Algemene Spaar- en Lijfrentekas.

Onverminderd het bepaalde bij artikel 73, § 1, blijft de Staat daarenboven alléén gebonden door de contractuele verplichtingen die hij heeft aangegaan en vastgelegd vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gesplitste kredieten van het Deel I - Kredieten bestemd voor de uitvoering van het Investeringsprogramma, van de Titel II - Kapitaaluitgaven, of van de Fondsen van de Titel IV - Afzonderlijke sectie van de begroting, die worden gestijfd door niet gesplitste kredieten van het voormelde Deel I van de Titel II van de begroting.

Dezelfde regeling is van toepassing op de contractuele verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de vastleggingskredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling.

De in de twee voorgaande leden bedoelde contractuele verplichtingen hebben betrekking op de vóór de inwerkingtreding van deze wet aangegane vastleggingen, zoals blijkt uit de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding van het Wegenfonds.

Wat andere uitgaven betreft dan deze die beoogd worden in de hierboven vermelde leden 2, 3 en 4 blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988:
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet voorgelegd worden;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met geldende wetten en reglementen.

De Staat bezorgt onverwijld aan de Gemeenschappen en Gewesten, ieder wat hem betreft, de akten en bescheiden die de rechten en verplichtingen vermelden die door hen krachtens deze paragraaf worden overgenomen. Een inventaris van de verstrekte akten en documenten wordt opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Minister of zijn afgevaardigde en door de bevoegde Regering of haar afgevaardigde.

In geval van geschil kan de Gemeenschap of het Gewest steeds de Staat bij de zaak betrekken en kan laatstgenoemde steeds in de zaak tussenkomen.

§ 2. De artikelen 1, 2 en 8 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen en Gewesten en betreffende de nationale economische sectoren blijven van toepassing, voor zover zij verwijzen naar aangelegenheden bedoeld bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij de wet tot oprichting van gemeenschaps- en gewestelijke instellingen, gecoördineerd op 20 juli 1979, zonder dat rekening wordt gehouden met de wijzigingen in deze wetten aangebracht na de inwerkingtreding van voornoemde wet van 5 maart 1984.

De artikelen 1, 2 en 8 van voornoemde wet kunnen niet worden gewijzigd dan bij de meerderheid vermeld in artikel 1, laatste lid, van de Grondwet

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt met de woorden "van de begroting van het Ministerie van het Brusselse Gewest" en "het krediet voor het Ministerie voor het Brusselse Gewest vastgesteld met toepassing van het artikel 7 van de in § 1 bedoelde wet" respectievelijk vermeld in § 1 en § 3 van artikel 8 van de voornoemde wet van 5 maart 1984, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet, bedoeld respectievelijk "van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest" en "de financiële middelen die aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest toekomen krachtens de bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten".

§ 3. De Gemeenschappen en Gewesten nemen, ieder wat hem betreft, de goederen, rechten en verplichtingen over van de instellingen van openbaar nut waarvan de taken ressorteren onder de bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen, op de bij de wet vastgestelde wijze, met inachtneming van de beginselen vervat in artikel 57 en in § 1, tweede tot achtste lid, van dit artikel.

§ 4. De Gewesten nemen op de datum van inwerkingtreding van deze wet van de Gemeenschappen de rechten en de verplichtingen over inzake de monumenten en de landschappen gelegen op hun grondgebied.

§ 5. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te nemen welke voortvloeien uit de verbintenissen die vóór de inwerkingtreding van deze wet werden aangegaan inzake de sociale begeleiding van de herstructurering van de ondernemingen die behoren tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes.

§ 6. Met betrekking tot de verbintenissen die vóór 1 januari 1993 werden aangegaan inzake het Landbouwinvesteringsfonds, behoudt de Staat alle rechten en verplichtingen.

Wat de andere uitgaven betreft dan die welke beoogd worden in het vorige lid blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1992:
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.

[§ 7. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, nemen de gewesten de rechten en verplichtingen over van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.

Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 januari 2002 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de Staat gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 2001:
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.

Met betrekking tot de prefinanciering door de Staat, voor rekening van de lokale besturen die een beroep doen op de diensten van een gewestelijke ontvanger, van de kosten die verband houden met de bezoldigingen en andere vaste uitgaven voor de gewestelijke ontvangers en met de werkingsuitgaven van de gewestelijke gemeenteontvangerijen, behoudt de Staat zijn rechten tot terugvordering, op die lokale besturen, van de tot en met 31 december 2001 door hem geprefinancierde bedragen. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 39, I: 1 januari 2002)]


ART. 62.
§ 1. Onverminderd de toepassing van deze wet wordt jaarlijks, in de Rijksbegroting, voor de Gemeenschappen een krediet vastgesteld voor de financiering van het universitair onderwijs dat aan buitenlandse studenten wordt verstrekt.

Voor het begrotingsjaar 1989 zijn deze bedragen respectievelijk 1.200 miljoen voor de Franse Gemeenschap en 300 miljoen voor de Vlaamse Gemeenschap.

[Voor het begrotingsjaar 2000 zijn deze bedragen respectievelijk 56 162 756,97 EUR voor de Franse Gemeenschap en 27 662 438,42 EUR voor de Vlaamse Gemeenschap. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 40, I: 1 januari 2002)]

§ 2. Voor het begrotingsjaar 1990 en voor elk van de volgende begrotingsjaren worden de bedragen vermeld in § 1 aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

[Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. (ing. BIjz. W. 13 juli 2001, art. 40, I: 1 januari 2002)]

§ 3. De in § 2 bedoelde bedragen kunnen vanaf 1990 worden verhoogd, inzonderheid om rekening te houden met de eventuele financiële gevolgen voor de Gemeenschappen van beslissingen die de nationale overheid bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheid heeft genomen.

Voor het wetsontwerp tot vaststelling van het onder § 1 bedoelde krediet wordt op dat punt ieder jaar vooraf overleg gepleegd tussen de federale Regering en de Gemeenschapsregeringen.

§ 4. Artikel 54, § 1, vierde lid en § 2 is op dit krediet van toepassing.



ART. 62bis.
[Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met 27,44 % van de te verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt jaarlijks verminderd met een bedrag dat overeenstemt met 0,8428 % van het in het eerste lid verkregen bedrag.

Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld volgens het aandeel van elke gemeenschap in het totaal van de met toepassing van artikel 36, 1° en 2° voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag.

De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger mogen zijn dan respectievelijk 50 % en 80 % van de voorlopige winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 41, I: 1 januari 2002)]


ART. 62ter.
[Vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen, worden aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap bijkomende middelen toegekend gelijk aan een bedrag van 5 659 409,17 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002. De verdeling van dit bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht, zoals bedoeld in artikel 18, 4°, van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.

Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 42, I: 1 januari 2002)]


ART. 63.
[§ 1. Een bijzonder krediet wordt jaarlijks uitgetrokken op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt voor de gemeenten op het grondgebied waarvan zich eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing.

§ 2. Deze eigendommen zijn :
1° de onroerende goederen, eigendom van een vreemde Staat of van een instelling van internationaal publiek recht;
2° de onroerende goederen, uitsluitend eigendom of medeëigendom van de federale overheid, van een federale instelling van openbaar nut of van een federaal autonoom overheidsbedrijf, die aangewend worden voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut, waarvan de werking zich uitstrekt over het Rijk, een Gemeenschap, een Gewest of ten minste een provincie.

De eigendommen bedoeld in het eerste lid, 2°, zijn niet :
1° de gebouwen bestemd voor de buitendiensten van de bedoelde administratieve diensten, instellingen en bedrijven, met uitzondering van die welke de gewestelijke, provinciale of daarmee gelijkgestelde besturen onderbrengen van de ministeriële departementen, van De Post, van Belgacom en van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
2° de gebouwen bestemd voor de diensten van de rechterlijke macht, met uitzondering van het Hof van cassatie, de hoven van beroep, het Militair Gerechtshof en de arbeidshoven;
3° de ziekenhuizen;
4° de gebouwen bestemd voor de centra van de administratieve diensten die bevoegd zijn voor sport en openluchtrecreatie;
5° de gebouwen bestemd voor de diensten die bevoegd zijn voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
6° de onderwijsinstellingen, met inbegrip van de universiteiten en de administratieve gebouwen die afhankelijk zijn van de genoemde instellingen;
7° de gebouwen bestemd voor de erediensten;
8° de stations.

Onder onroerende goederen worden verstaan de gebouwde en ongebouwde percelen met uitsluiting van het materieel en de outillering bedoeld in artikel 471 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

De vereiste voorwaarden worden beoordeeld per volledig kadastraal perceel en, in voorkomend geval, volgens de bestemming van het belangrijkste deel van het kadastraal perceel.

§ 3. Dat bijzonder krediet dekt voor ten minste 72 pct. de niet-inning van de gemeentelijke opcentiemen op deze voorheffing.

Dat krediet wordt berekend :
- op basis van de gewestelijke aanslagvoeten en de gemeentelijke opcentiemen vastgesteld op 1 januari 1993;
- op basis van de meest recent beschikbare officiële gegevens over de kadastrale inkomens;
- met toepassing van de indexering van de kadastrale inkomens ingevoerd vanaf 1 januari 1991;
- voor de onroerende goederen waarvan de federale overheid medeëigenaar is, op basis van het gedeelte van het kadastrale inkomen dat overeenstemt met het aandeel van de federale overheid in de medeëigendom.

Het wordt verdeeld op basis van het bedrag aan fiscale minderopbrengst per gemeente, berekend overeenkomstig het tweede lid.

De berekeningswijze en de verdeling van dat krediet worden, overeenkomstig de vorenstaande leden, bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na overleg met de betrokken Gewestregeringen.

Het krediet dat overeenstemt met dat van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt aan het Gewest overgedragen. (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 117, I: 1 januari 1994]


ART. 64.
§ 1. Aan de Stad Brussel wordt een bijzondere dotatie toegekend. Het basisbedrag van deze dotatie bedraagt 2,5654 miljard frank.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 wordt dit bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

[Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 43, I: 1 januari 2002)]

§ 3. Dit krediet zal jaarlijks worden ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt.


ART. 64bis.
[Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een bijzondere dotatie gestort omwille van het mobiliteitsbeleid. Die dotatie bedraagt 45 miljoen euro in 2012, 75 miljoen euro in 2013, 105 miljoen euro in 2014 en 135 miljoen euro in 2015.

Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt het bedrag van het voorgaande jaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, evenals aan 50 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op de in artikel 47, § 2, bepaalde wijze. (ing. Bijz. W. 19 juli 2012, art. 3, I: 1 september 2012)]


ART. 64ter.
[§ 1. Een voorafneming op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het tweede deelfonds, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.

Deze voorafneming bedraagt 55 miljoen euro vanaf het begrotingsjaar 2012.

De uitgaven, met inbegrip van de toelagen voor de lokale politiezones en gemeenten, die kunnen worden gedaan ten laste van het in het eerste lid bedoelde fonds, zijn uitgaven die verbonden zijn aan de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen in Brussel en uitgaven voor veiligheid en preventie die verbonden zijn aan de nationale en internationale hoofdstedelijke functie van Brussel.

§ 2. De gewestelijke leden van de samenwerkingscommissie bedoeld in artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, beslissen, na advies van de federale leden van deze commissie, over het gebruik van de in paragraaf 1 bedoelde middelen. (ing. Bijz. W. 19 juli 2012, art. 4, I: 1 september 2012)]

ART. 65.
§ 1. De financiering van de begroting van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in artikel 63 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, gebeurt door:
1° eigen niet-fiscale middelen vermeld in § 3;
2° een dotatie ten laste van de nationale begroting, vermeld in § 4;
3° leningen.

§ 2. De bepalingen van artikel 49 zijn van toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

§ 3. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in § 1 komen toe aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan schenkingen en legaten ontvangen. Artikel 54, § 1, eerste lid, en § 2, zijn desgevallend van toepassing op deze inkomsten.

§ 4. Op de Staatsbegroting van 1989 is het globaal krediet voor de bevoegdheden vermeld in § 1, 2°, gelijk aan 2,3817 miljard frank.

Ieder jaar wordt dat bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

[Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 44, I: 1 januari 2002)]

Voor 1989 en 1990 wordt er evenwel een uitzonderlijk en niet terugkerende vermindering van respectievelijk 264 miljoen en 132 miljoen toegepast op dit krediet.

Artikel 54, § 1, vierde lid, en § 2, is van toepassing op dat krediet.

§ 5. In akkoord met de bevoegde overheden worden de bedragen bedoeld in artikel 42, § 1, door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, verhoogd met de middelen die bestemd zijn voor de betoelaging van de instellingen en organisaties, behorend tot de private sector, die vóór 30 juni 1989 opteren voor een unicommunautair statuut. De Koning regelt de modaliteiten voor de uitvoering van deze bepaling na overleg met de betrokken Regeringen.

Het bedrag bedoeld in § 4, eerste lid, wordt door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, met eenzelfde bedrag als bedoeld in het vorige lid, verminderd.


ART. 65bis.
[Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid toegekend aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie en aan de Franse Gemeenschapscommissie ingesteld bij artikel 60, tweede en derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Het basisbedrag van die middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR.

Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt dat basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2.

Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.

80 % van dat bedrag gaat naar de Franse Gemeenschapscommissie en 20 % naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 45, I: 1 januari 2002)]

ART. 65ter.
[Aan het bedrag dat jaarlijks wordt verkregen met toepassing van artikel 65bis wordt in 2012, 2013, 2014 en 2015 jaarlijks een bijkomend bedrag van 10 miljoen euro toegevoegd. Deze bijkomende bedragen worden cumulatief toegevoegd aan de bedragen die berekend zijn op basis van artikel 65bis voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 en evolueren volgens de bij datzelfde artikel bepaalde mechanismen, vanaf het jaar dat volgt op de toevoeging ervan aan het basisbedrag. (ing. Bijz. W. 19 juli 2012, art. 5, I: 1 september 2012)]


ART. 66.
Artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd door de bjizondere wet van 8 augustus 1988, wordt aangevuld met de paragrafen 4, 5 en 6 luidend als volgt:

"§ 4. De Gemeenschappen sluiten in ieder geval een samenwerkingakkoord voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben op de Zeevaartschool te Oostende en te Antwerpen en het internaat ervan.

§ 5. De geschillen die tussen de contracterende partijen bij de in de §§ 2, 3 en 4 bedoelde akkoorden rijzen met betrekking tot de uitlegging of de uitvoering van die akkoorden, worden beslecht door een bij de wet opgericht rechtscollege.

Iedere partij wijst een van de leden van dit rechtscollege aan.

Betwistingen omtrent wraking van de voorzitter of van een lid van het rechtscollege worden beslecht door de voorzitter in functie van het Arbitragehof.

De akkoorden regelen de wijze van aanwijzing van die leden, behalve wat de voorzitter betreft.

De voorzitter wordt gecoöpteerd door de leden; bij gebreke van aanwijzing van de leden of van coöptatie van de voorzitter gebeurt de aanwijzing door de voorzitter in functie van het Arbitragehof.

De uitgesproken beslissing is niet vatbaar voor beroep en mag het voorwerp zijn van een gedwongen tenuitvoerlegging.

Zij stelt de maximumtermijn vast waarin zij moet worden uitgevoerd en zij kan desgevallend bepalen dat de andere partij in de plaats komt van de in gebreke blijvende partij op kosten van deze laatste.

De akkoorden treffen een regeling voor de werkingskosten van het rechtscollege.

De wet bedoeld in het eerste lid regelt de procedure die het rechtscollege volgt. Zij waarborgt de naleving van de rechten van de verdediging.

§ 6. De partijen bij de andere dan de in de §§ 2, 3 en 4 bedoelde samenwerkingsakkoorden, kunnen eveneens de bepalingen van § 5 daarop van toepassing maken.


ART. 67.
§ 1. Artikel 94 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt aangevuld als volgt:

"§ 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 83, §§ 2 en 3, blijven de procedures, regelingen en feitelijke toestanden die bestaan op 1 januari 1989 voor iedere aangelegenheid bedoeld in artikel 92bis, §§ 2, 3 en 4, van kracht totdat een samenwerkingsakkoord voor die aangelegenheid is gesloten.

§ 3. De procedures bedoeld in artikel 32, §§ 1 tot 4, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zijn van toepassing wanneer er een geschil ontstaat tengevolge van de uitlegging of de toepassing van § 2 van dit artikel. Bij gebreke van consensus in het Overlegcomité bedoeld in artikel 31 van dezelfde wet, worden de partijen geacht akkoord te gaan om hun geschil te laten beslechten door het rechtscollege bedoeld bij artikel 92bis, § 5."

§ 2. De huidige tekst van artikel 94 vormt § 1.


ART. 68.
In de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 wordt een artikel 124bis ingevoegd luidend als volgt:

"Art. 124bis. Voor de toepassing van de artikelen 1 en 26, § 1, worden als regels bedoeld in 1° van deze twee bepalingen, beschouwd het overleg, de betrokkenheid, het geven van inlichtingen, de adviezen, de eensluidende adviezen, de akkoorden, de gemeenschappelijke akkoorden en de voorstellen waarvan sprake is in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de samenwerkingsakkoorden bedoeld in artikel 92bis van voornoemde wet uitgezonderd, alsook in de bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten of in elke andere wet genomen ter uitvoering van de artikelen 59bis, 59ter, 107quater, 108ter en 115 van de Grondwet.



ART. 68bis.
[In afwijking van artikel 273 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 is de Vlaamse Gemeenschap geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eindejaarstoelagen welke het "Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs" voor 1991 en 1992 rechtstreeks heeft betaald aan de personeelsleden.

Deze bepaling blijft zonder gevolg ten aanzien van de fiscale toestand inzake personenbelasting van de verkrijgers van de bedoelde toelage. (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 118, I: 30 juli 1993)]


ART. 68ter.
[Vanaf het begrotingsjaar waarin het gewest de dienst van de in het tweede lid bedoelde belastingen verzekert, en ten vroegste vanaf het begrotingsjaar 2004, wordt jaarlijks een dotatie op de begroting van het Ministerie van Financiën voor het betrokken gewest ingeschreven. Deze dotatie stemt overeen met de met toepassing van het tweede en derde lid bepaalde kostprijs voor de betrokken belasting en zal slechts worden doorgestort in de mate dat het gewest het personeel van de betrokken administraties heeft overgenomen.

De totale kostprijs van de dienst van de belastingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, wordt vóór 31 december 2003 bij wet, na voorafgaand overleg met de betrokken gewestregeringen bepaald. Deze totale kostprijs wordt per belasting berekend als het gemiddelde van de voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 bepaalde kostprijs die vooraf werd uitgedrukt in prijzen van 2002.

De verhouding wordt bepaald van de met toepassing van het tweede lid verkregen totale kostprijs tot het totaal van de in de drie gewesten gelokaliseerde ontvangsten van de betrokken belasting. Dit percentage wordt toegepast op de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de betrokken belasting. De in dit lid bedoelde ontvangsten worden berekend als het gemiddelde van de ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, nadat eventuele interregionale tariefverschillen werden geneutraliseerd.

Het met toepassing van het derde lid verkregen bedrag, per belasting en per gewest, wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 46, I: 1 januari 2002)]


ART. 68quater.
[Op basis van de overeenstemmende middelen, zoals voorzien in de begroting 2001 en volgens de verschillende verdeelsleutels, respectievelijk voor de gemeenschappen en de gewesten, zoals die uit deze bijzondere wet kunnen worden afgeleid, worden de voor de overdracht van de bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking noodzakelijke financiële middelen overgeheveld. De in artikel 6ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bedoelde werkgroep bereidt deze overheveling voor. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 57, I: 1 januari 2002)]

TITEL IX OPHEFFINGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN

ART. 69.
§ 1. Worden opgeheven:
1° de artikelen 1 tot 15 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap en in de mate dat zij noodzakelijk zijn voor de door de Staat op 31 december 1988 verschuldigde ristorno's;
2° de artikelen 13, §§ 1, 2 en 4, wat het Rekenhof betreft, en 14 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap;
3° artikel 76 van de wet van 5 januari 1976 betreffende budgettaire voorstellen 1975-1976;
4° de artikelen 5 tot 7 en 8bis van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren;
5° de artikelen 15, 16, 22 en 26 van het koninklijk besluit van 31 maart 1984 betreffende de financieringsmaatschappijen voor de herstructurering van de nationale economische sectoren (A), gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 489 van 31 december 1986.

§ 2. Artikel 13, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt vervangen door de volgende bepaling:

"§ 5. De bevoegdheden bepaald in de vorengenoemde wetten en reglementen worden, al naar het geval, uitgeoefend door de overeenkomstige organen van de Gemeenschap of het Gewest."

§ 3. In artikel 48 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instelling worden de woorden "met uitzondering van artikel 7" geschrapt.

§ 4. Artikel 4, § 1, van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren wordt opgeheven met ingang van 1 januari 1991.

(Wijzigt art. 48 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen)

§ 4. Artikel 4, § 1, van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren wordt opgeheven met ingang van 1 januari 1991.


ART. 70.
Artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd door de bjizondere wet van 8 augustus 1988, wordt tussen het tweede en het derde lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt:

"De financiële tussenkomst bedoeld in het vorige lid kan schommelen in functie van de werkloosheidsduur van de werkloze die wedertewerkgesteld wordt. Het bedrag van die tussenkomst wordt vastgesteld in akkoord met de Gewestexecutieven".

TITEL X OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

ART. 71.
§ 1. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel 50, § 2, zijn de vigerende bepalingen betreffende de organisatie van de controle van het Rekenhof en de controle op het verlenen en het gebruik van subsidies, evenals de bepalingen inzake de Rijkscomptabiliteit, onverminderd hetgeen in § 2 omtrent artikel 32bis van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de Rijkscomptabiliteit is gesteld, van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.

§ 2. Tot de organisatie van een administratieve en begrotingscontrole, bedoeld in artikel 51, zijn de bepalingen vermeld in artikel 32bis van de wet van 28 juni 1963 van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.

§ 3. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel 50, § 2, blijven de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wat de wijze van uitoefening van de controle van het Rekenhof betreft, van overeenkomstige toepassing op de instellingen van openbaar nut die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten.


ART. 72.
Tot de datum vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit worden de bedragen en het percentage vermeld in artikel 13, §§ 1 en 3, en in artikel 38, §§ 1 en 2, als volgt vastgesteld:
- in artikel 13, § 1:
- voor het Vlaamse Gewest: 30,7054 miljard frank;
- voor het Waalse Gewest: 21,0052 miljard frank;
- voor het Brusselse Gewest: 10,3383 miljard frank;
- in artikel 13, § 3: 98 %;
- in artikel 38, § 1:
- voor de Vlaamse Gemeenschap: 164,3399 miljard frank;
- voor de Franse Gemeenschap: 126,5602 miljard frank;
- in artikel 38, § 2: 4,4961 miljard frank en 3,4532 miljard frank.



ART. 73.
§ 1. De saldi, die op 31 december 1988 als betalingsmiddelen beschikbaar zullen zijn op elk van de artikelen van de afzonderlijke sectie van de begroting van de Gemeenschappelijke Culturele Aangelegenheden en van Nationale Opvoeding van het Nederlandse stelsel, van het Franse stelsel en van de sector, die gemeen is aan beide stelsels, en met inbegrip van de stijving, die voor het lopend jaar is voorzien maar niet aangewend, worden aan de Gemeenschappen toegekend voor zover de saldi betrekking hebben op aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren.

Bij de inwerkingtreding van deze wet, nemen de Gemeenschappen inzonderheid de verplichtingen over die verband houden met de begrotingsartikelen bedoeld in het vorige lid.

§ 2. Van het bedrag waarvoor, overeenkomstig artikel 22, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen machtiging tot lening met staatswaarborg en rentetoelagen kan verlenen, vervalt het deel dat op 31 december 1988 niet is aangewend of waarvoor geen principiële beloften zijn gedaan.

In de plaats daarvan wordt aan elke Gemeenschap voor elk van de jaren 1989 tot 1998 een krediet toegestaan, telkens gelijk aan 5,28 % van haar nominaal deel in het vervallen deel.

§ 3. De verbintenissen welke ter uitvoering van het bepaalde in artikel 22 § 1, § 1bis en § 2, van dezelfde wet van 29 mei 1959, vóór de inwerkingtreding van deze wet lastens de Staat zijn aangegaan, blijven voor de geheelheid te zijnen laste.

§ 4. De bepalingen van dezelfde wet van 29 mei 1959 hebben geen uitwerking in de mate dat zij de stijving bepalen van de Fondsen die ze oprichten.


ART. 74.
Voor het begrotingsjaar 1989 worden de financiële middelen die toekomen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie krachtens deze wet, verminderd met het totaal bedrag van de sommen die de Ministers bevoegd voor de persoonsgebonden aangelegenheden die krachtens artikel 59bis, § 4bis, van de Grondwet (zie art. 128 Gecoörd. G.W.) niet tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen behoren, als dusdanig hebben geordonnanceerd tot aan de installatie van de Verenigde Vergadering en van het Verenigd College.

Dat bedrag wordt vastgesteld binnen twee weken na de installatie van de Verenigde Vergadering en van het Verenigd College, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit genomen op het advies van het Verenigd College.


ART. 75.
§ 1. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de Gemeenschappen, de Gewesten, en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet. De federale overheid houdt daartoe op de aan de Gemeenschappen en Gewesten over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van die uitgaven.

Deze inhoudingen worden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Regeringen of met het Verenigd College.

Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1990.

§ 1bis. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de Gewesten, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet. De federale overheid houdt daartoe op de aan de Gewesten over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven

Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Regeringen.

Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1994.

[§ 1ter. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de gewesten en de gemeenschappen, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet gedurende een periode van 12 maanden. De federale overheid houdt daartoe op de aan de gewesten en de gemeenschappen over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.

Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de betrokken regeringen. (ing. Bijz. W. 13 juli 2001, art. 47, I: 1 januari 2002)]

§ 2. De Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dragen bij tot de financiering van de instellingen van openbaar nut die hun moeten worden overgedragen, zolang deze laatste niet daadwerkelijk zijn overgedragen.

Indien er geen akkoord is over deze bijdragen en de betrokken instelling de toezichthoudende minister daarover inlicht, worden deze bijdragen vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Regeringen of met het Verenigd College. In dat geval is § 1, eerste en tweede lid, van toepassing.

§ 3. In afwijking van § 2, eerste lid, neemt de Staat de schuld van het Hulpfonds voor financieel herstel van de gemeenten, opgericht bij koninklijk besluit nr. 208 van 23 september 1983, ten laste, die overeenkomt met de als oninbaar beschouwde schuldvorderingen die het Fonds op de gemeenten en de Brusselse Agglomeratie heeft, krachtens de overeenkomsten bepaald in artikel 6 van het voornoemd koninklijk besluit. Een in Ministerraad, na overleg met de Gewestregeringen, overlegd koninklijk besluit bepaalt de berekeningswijze en raamt de schuldvorderingen.

Voor de schuld die met de inbare schuldvorderingen van het Fonds overeenstemt, bepaalt een, na overleg met de Gewestregeringen, in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de nadere regels van de tenlasteneming, door elk Gewest, van de verplichtingen van het Fonds alsmede de nadere regels voor de overdracht van de rechten aan ieder Gewest. (Zie K.B. 21 september 1989, B.S., 5 oktober 1989 en decr. 20 december 1989, B.S., 22 februari 1990)

§ 4. In afwijking van § 2 kan de Koning, na overleg met de Gewestregeringen, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de Nationale Maatschappij der Luchtwegen (N.M.L.W.), onder de voorwaarden die Hij vaststelt, ermee belasten om gedurende een periode van drie jaar, die aanvangt op de datum van inwerkingtreding van deze wet, de deficits van de gewestelijke openbare luchthavens en vliegvelden voor het geheel of voor een deel ten laste te nemen.

De Koning kan, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het vorige lid, de Nationale Maatschappij der Luchtwegen (N.M.L.W.) ermee belasten om gedurende een beperkte tijd bepaalde investeringen in de gewestelijke openbare luchthavens en vliegvelden ten laste te nemen.


ART. 76.
Onverminderd de bepalingen van artikel 35 neemt elk Gewest de verplichtingen van de Staat over inzake de projecten en overeenkomsten voor wedertewerkstelling van werklozen goedgekeurd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet voor de werknemers in dienst genomen vóór deze datum van inwerkingtreding en die hun woonplaats hebben op zijn grondgebied. Elk Gewest ontvangt voor deze werknemers het bedrag bedoeld bij artikel 35, § 1.


ART. 77.
§ 1. Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 1989 aan de nationale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de Regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de Regeringen hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en de Gewesten werden toegewezen.

Gedurende deze periode wordt de federale overheid gemachtigd om ten laste van door de wet geopende voorlopige kredieten aan de Gemeenschappen en Gewesten dotaties te storten die gelijk zijn aan de in 1988 gestorte dotaties, aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen voor 1988.

De in 1989 krachtens deze wet aan de betrokken Gemeenschap of Gewest te verstrekken middelen worden verminderd ten belope van het bedrag van de uitgaven vermeld in het eerste lid en van de stortingen vermeld in het tweede lid.

De modaliteiten voor de uitoefening van de machtiging bedoeld in het eerste lid worden vastgelegd bij overeenkomst tussen de Federale Regering en iedere Regering. De overeenkomst wordt onmiddellijk medegedeeld aan [het bevoegde Parlement. (verv. Bijz. W. 27 maart 2006, art. 12, I: 21 april 2006)] Deze machtiging houdt op te bestaan met ingang van de inwerkingtreding van het decreet of de ordonnantie tot goedkeuring van de begroting van de Gemeenschap of van het Gewest waartoe de betrokken Regering behoort.

§ 2. Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 2002 aan de federale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de regeringen hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 januari 2002 door of krachtens de Grondwet aan de gemeenschappen en de gewesten werden toegewezen.


ART. 78.
Titel VI van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zoals ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1988, wordt gewijzigd als volgt:
"Titel VI - Overgangsbepalingen"

De nieuwe artikelen 97 en 98, luidend als volgt, worden ingevoegd:

"Art 97 - De bepalingen van het koninklijk besluit van 30 juni 1982 tot vaststelling van de nadere regels voor de overgang van de personeelsleden van de Ministeries van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap en van het Waalse Gewest naar hun respectieve Executieve blijven van toepassing op alle personeelsleden overgedragen naar de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven, zolang zijn niet door de Koning worden gewijzigd.

Dit artikel treedt in werking samen met artikel 96 van de wet van 8 augustus 1980 zoals ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 8 augustus 1988."

Art. 98 - In afwijking op de bepalingen van artikel 6, § 1, IX, kent, tot de datum van inwerkingtreding van de overeenkomsten tot omzetting van de tewerkgestelde werklozen in gesubsidieerde contractuelen en tot ten laatste 30 juni 1989, de nationale overheid de financiële tegemoetkoming toe bedoeld bij artikel 6, § 1, IX, 20, tweede lid voor elke tewerkgestelde werkloze overeenkomstig de artikelen 161 tot 170 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid."


ART. 79.
De artikelen 2, 3, 4 § 2, en 8 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren blijven van toepassing.


ART. 80.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen in akkoord met de [Regeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)] van de Gemeenschappen en de Gewesten, de wettelijke bepalingen goedgekeurd met de in artikel 1, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid en genomen krachtens artikel 59bis, 107ter, 107quater, 108ter en 115, laatste lid, van de Grondwet, geheel of ten dele coördineren.

Te dien einde kan Hij:
1° de rangorde, de nummering en in het algemeen de voorstelling van de te coördineren bepalingen wijzigen;
2° de referenties die zouden opgenomen zijn in de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;
3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde hun concordantie te verzekeren en hun terminologie te harmoniseren, zonder dat kan geraakt worden aan de in deze bepalingen ingeschreven principes.

De coördinerende bepalingen dragen volgende titel: "Wetten betreffende de Gemeenschaps- en de Gewestelijke instellingen, gecoördineerd op ...".


ART. 81.
De beslissingen die, vanaf 1 januari 1989 tot de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, worden genomen door organen van de federale overheid over aangelegenheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en aan de Gewesten werden toegewezen, worden geacht genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd geworden organen van de Gemeenschappen en de Gewesten, ieder wat hem betreft.

De middelen die in 1989 aan iedere Gemeenschap en aan ieder Gewest krachtens deze wet worden overgedragen, worden tot beloop van het bedrag van de overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met toepassing van het vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om uitgaven die krachtens deze wet ten laste blijven van de federale overheid. De Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad overlegd besluit, na overleg met de betrokken [Regeringen (verv. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)].


ART. 81bis.
[De beslissingen die, vanaf 1 januari 1993 tot de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, worden genomen door organen van de federale overheid over aangelegenheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gewesten werden toegewezen, worden geacht genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd geworden organen van de Gewesten, ieder wat hem betreft.

De middelen die in 1993 aan ieder Gewest krachtens deze wet worden overgedragen, worden tot beloop van het bedrag van de overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met toepassing van het vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om uitgaven die krachtens deze wet ten laste blijven van de federale overheid. De Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad overlegd besluit, na overleg met de betrokken (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 120, I: 30 juli 1993)] [Regeringen (ing. Bijz. W. 16 juli 1993, art. 127, I: 30 juli 1993)]


ART. 82.
Deze wet treedt in werking op 1 januari 1989.