Titel: Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de regels voor het algemene personeelsbeleid en het specifieke personeelsbeleid in de diensten van de Vlaamse overheid en in de Vlaamse openbare instellingen
Aard document: Besluit Vlaamse Regering
Datum document: 19/12/2014
Datum publicatie BS: 28/01/2015
Download Worddocument

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de regels voor het algemene personeelsbeleid en het specifieke personeelsbeleid in de diensten van de Vlaamse overheid en in de Vlaamse openbare instellingen

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen, artikel 21;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 tot vaststelling van de regels voor het algemene personeelsbeleid en het specifieke personeelsbeleid in de diensten van de Vlaamse overheid en in de Vlaamse openbare instellingen;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 17 december 2014;

Op het gezamenlijke voorstel van de leden van de Vlaamse Regering;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1. (25/07/2014- ...)

In dit besluit wordt verstaan onder:

1° agentschappen: de intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 3 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003 en de agentschappen met rechtspersoonlijkheid;

2° agentschappen met rechtspersoonlijkheid: de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 3 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, en de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen, vermeld in artikel 13 van het voormelde decreet;

3° algemene personeelsbeleid: alles wat betrekking heeft op:

a) het administratieve en geldelijke statuut van het personeel;

b) de personeelsformaties van de Vlaamse openbare instellingen, die niet onder de diensten van de Vlaamse overheid ressorteren;

c) de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;

d) het ontwerpen en vaststellen van aanvullende bepalingen, richtlijnen, afspraken, standaarden, normen en procedures inzake personeel, die gelden voor de diensten van de Vlaamse overheid en/of de Vlaamse openbare instellingen alsook het toezicht op de toepassing ervan;

e) de organisatie en het functioneren met betrekking tot de personeelsaangelegenheden;

f) het voeren van een beleid inzake humanresourcesmanagement;

g) de coördinatie van de uitvoeringsmaatregelen over het specifieke personeelsbeleid;

h) de rekrutering en selectie en de vorming van het personeel;

i) de sociale dienst;

4° diensten van de Vlaamse overheid:

a) de Vlaamse ministeries en de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 3 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, en de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen, vermeld in artikel 13 van het voormelde decreet;

b) de strategische adviesraden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 18 juli 2003 tot regeling van strategische adviesraden;

c) de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;

5° specifieke personeelsbeleid: de toepassing van het algemene personeelsbeleid en van de bepalingen ervan op het individuele personeelslid;

6° Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken: de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie;

Artikel 2. (25/07/2014- ...)

Voor de diensten van de Vlaamse overheid en de Vlaamse openbare instellingen worden de aangelegenheden met betrekking tot het algemene personeelsbeleid behartigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en met behoud van de toepassing van de ter zake geldende reglementaire bepalingen.

Artikel 3. (25/07/2014- ...)

Met betrekking tot de diensten van de Vlaamse overheid, wordt voor alle aangelegenheden met betrekking tot het algemene personeelsbeleid het initiatief genomen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.

Elke Vlaamse minister kan, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, zijn voorstellen te kennen geven aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.

Artikel 4. (25/07/2014- ...)

In afwijking van artikel 3 wordt met betrekking tot de agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de strategische adviesraad VLOR voor agentschapsspecifieke of instellingsspecifieke aangelegenheden als vermeld in de rechtspositieregeling het initiatief genomen door de Vlaamse minister die belast is met het bestuur van of het toezicht op het agentschap, de instelling of de strategische adviesraad.

Voor die aangelegenheden vraagt de Vlaamse minister die belast is met het bestuur van of het toezicht op het agentschap, de instelling of raad het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.

In het eerste lid wordt verstaan onder rechtspositieregeling: de regeling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid.

Artikel 5. (25/07/2014- ...)

Met betrekking tot een Vlaamse openbare instelling, die niet onder de diensten van de Vlaamse overheid ressorteert en met betrekking tot de strategische adviesraad SERV wordt, voor het algemene personeelsbeleid, het initiatief genomen door de Vlaamse minister die belast is met het bestuur van of het toezicht op de instelling of raad.

Voor die aangelegenheden vraagt de Vlaamse minister die belast is met het bestuur van of het toezicht op de instelling of raad het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.

Artikel 6. (01/04/2015- ...)

§ 1. Voor de aangelegenheden, vermeld in artikel 4 en 5, wordt de aanvraag voor akkoord tegelijkertijd bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, en aan het Agentschap Overheidspersoneel. Het Agentschap Overheidspersoneel stelt een ontwerp van akkoord op voor de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, beslist over het gevraagde akkoord binnen een termijn van twaalf werkdagen na ontvangst van de aanvraag tot het verlenen van het akkoord. Die aanvraag moet het advies van het Agentschap Overheidspersoneel bevatten.

Het Agentschap Overheidspersoneel brengt uiterlijk binnen twaalf werkdagen na de ontvangst van de vraag advies uit. Bij ontstentenis van advies binnen de gestelde termijn wordt het advies geacht gegeven te zijn.

In afwijking van het tweede lid is het advies van het Agentschap Overheidspersoneel en het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken niet vereist voor de aangelegenheden, vermeld in artikel 1, 3°, b).

§ 2. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, het akkoord weigert, of als hij geen beslissing heeft meegedeeld binnen de termijn van twaalf werkdagen kan de Vlaamse minister die belast is met het bestuur van of het toezicht op het agentschap, de instelling of raad zijn voorstel ter beslissing voorleggen aan de Vlaamse Regering.

Artikel 7. (25/07/2014- ...)

Als de aangelegenheden met betrekking tot het algemene personeelsbeleid van een Vlaamse openbare instelling, een agentschap met rechtspersoonlijkheid of een strategische adviesraad een financiële weerslag hebben, moeten ze, samen met het advies van de Inspectie van Financiën en/of van de gemachtigde van Financiën, voor akkoord worden voorgelegd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting.

Artikel 8. (25/07/2014- ...)

Voor de departementen wordt het specifieke personeelsbeleid behartigd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het specifieke personeelsbeleid, overeenkomstig de indeling opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.

Voor de agentschappen wordt het specifieke personeelsbeleid behartigd door de Vlaamse minister, die belast is met het bestuur van of het toezicht op het agentschap.

In het eerste lid wordt verstaan onder departementen: de departementen van de Vlaamse ministeries, vermeld in artikel 3 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003.

Artikel 9. (25/07/2014- ...)

Het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2006 tot vaststelling van de regels voor het algemene personeelsbeleid en het specifieke personeelsbeleid in de diensten van de Vlaamse overheid en in de Vlaamse openbare instellingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 november 2009 en 16 maart 2012, wordt opgeheven.

Artikel 10. (25/07/2014- ...)

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 25 juli 2014.

Artikel 11. (25/07/2014- ...)

De leden van de Vlaamse Regering zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE (01/04/2017- ...)

Indeling van de departementen van de diensten van de Vlaamse overheid per Vlaamse minister, wat betreft het specifieke personeelsbeleid als vermeld in artikel 8, eerste lid

1. De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed, is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor :

a) het Departement Kanselarij en Bestuur, met uitzondering van:

1) De personeelsleden die belast zijn met het horizontale gelijke-kansen- en integratiebeleid;

2) de personeelsleden van de Gemeenschappelijke Dienst voor Preventie en Bescherming;

3) de personeelsleden van de Dienst van de Gouverneurs;

b) het Departement Omgeving:

de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen in het kader van het onroerend-erfgoedbeleid;

c) het Departement internationaal Vlaanderen, met uitzondering van de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen ter uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende de toeristische logies.

d) het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie : de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken uitvoeren in het kader van de handhaving met betrekking tot onroerend erfgoed;

2. De viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor:

a) het Departement Onderwijs en Vorming.

3. De viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Begroting, Financiën en Energie is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor:

a) het Departement Financiën en Begroting;

b) het Departement Omgeving:

1) de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen in het kader van het energiebeleid.

4. De viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor :

a) het Departement Kanselarij en Bestuur:

1) De personeelsleden die belast zijn met het horizontale gelijke-kansen- en integratiebeleid;

2) de personeelsleden van de Gemeenschappelijke Dienst voor Preventie en Bescherming;

3) de personeelsleden van de Dienst van de Gouverneurs;

b) het Departement Informatie Vlaanderen;

c) het Departement Omgeving :

de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen in het kader van het woonbeleid.

5. De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor :

a) het Departement Mobiliteit en Openbare Werken;

b) het Departement internationaal Vlaanderen :

de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen ter uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende de toeristische logies;

c) het Departement Omgeving : de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen in het kader van het dierenwelzijn.

6. De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor:

a) het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

7. De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor : het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie.

8. De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor:

a) het Departement Landbouw en Visserij;

b) het Departement Omgeving, met uitzondering van de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen in het kader van :

1) het energiebeleid;

2) het dierenwelzijn;

3) de handhaving met betrekking tot onroerend erfgoed;

c) het Departement Omgeving, met uitzondering van de personeelsleden die alleen of hoofdzakelijk taken vervullen in het kader van het onroerend-erfgoedbeleid en het woonbeleid.

9. De Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel is, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor : het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media.

10. De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed en de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn zijn, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor:

a) het Departement internationaal Vlaanderen:

1) de secretaris-generaal.

11. De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed, en de viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding zijn, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor :

het Departement Kanselarij en Bestuur :

de secretaris-generaal.

12. De Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel, en de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport zijn, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor : het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media :

a) de secretaris-generaal;

b) de Raad voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media.

13. De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport en de viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding zijn, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, bevoegd voor:

a) het Departement Werk en Sociale Economie.

14. De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed en de viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding en de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw zijn, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, met behoud van de toepassing van de voorgaande bepalingen bevoegd voor:

a) het Departement Omgeving :

1) de secretaris-generaal

2) ...

15. De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw en de viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Begroting, Financiën en Energie en de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn zijn, wat het specifieke personeelsbeleid betreft, met behoud van de toepassing van de voorgaande bepalingen bevoegd voor:

a) het Departement Omgeving:

1) de secretaris-generaal.

16. Voor de personeelsleden, vermeld in punt 1 tot en met 9, voor wie niet uitgemaakt kan worden of ze alleen of hoofdzakelijk taken vervullen met betrekking tot de bevoegdheden van de Vlaamse minister, onder wie ze vermeld staan, kan worden afgeweken van de indeling door middel van een protocol, afgesloten tussen de betrokken Vlaamse ministers.