Titel: Omzendbrief VR 2009/2: Onverenigbaarheden
Aard document: Omzendbrief
Datum document: 24/07/2009
Datum publicatie BS:
Download Worddocument

Onverenigbaarheid, cumulatieverbod en andere ontzeggingen

Omzendbrief VR 2009/2

Datum: 24 juli 2009

Deze omzendbrief vervangt omzendbrief VR95/2 van 28 juli 1995

1. Onverenigbaarheden

- Krachtens artikel 5 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen is het mandaat van lid van het Vlaams Parlement onverenigbaar met het lidmaatschap van een gemeenschaps- of gewestregering of het ambt van gewestelijk staatssecretaris.Het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Waals parlement kunnen, ieder voor zich, bij decreet beslissen dat een lid van het Parlement dat tot lid van hun Regering wordt verkozen, onmiddellijk ophoudt zitting te hebben en weer in functie treedt na ontslag uit zijn functie als lid van de Regering. Het decreet voorziet in zijn vervanging in het Parlement.”

Er is wel een overgangsmaatregel vastgesteld voor de post-electorale periode: vanaf de vernieuwing van het Vlaams Parlement (de dag van de verkiezing) en zolang de Vlaamse Regering ontslagnemend is (dus tot de dag dat de nieuwe Vlaamse Regering beëdigd wordt) kan een (ontslagnemend) regeringslid of gewestelijk staatssecretaris tijdelijk de uitoefening van zijn ambt verenigen met het mandaat van lid van het Vlaams Parlement.

Het lid van het Vlaams Parlement dat de eed aflegt als lid van de Vlaamse Regering, houdt onmiddellijk op zitting te hebben. Hij wordt vervangen door de opvolger van de lijst waarop hij gekozen is eerst in aanmerking komt. Hij neemt zijn mandaat weer op na ontslag uit zijn functie als lid van de Vlaamse Regering.

- Een tweede categorie van onverenigbaarheden is terug te vinden in artikel 24bis, §2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen Dit artikel stelt onverenigbaarheden vast voor parlementsleden maar is door artikel 59, §3, BWHI toepasselijk verklaard op de leden van de Vlaamse Regering, dat de volgende ambten of mandaten onverenigbaar verklaart met de hoedanigheid van lid van de Vlaamse Regering :

1° lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers;

2° rechtstreeks verkozen of gecoöpteerd senator;

3° federaal minister of federaal staatssecretaris;Zie ook art. 1bis van de wet van 6 augustus 1931 voor de overgangsregeling in de postelectorale periode

4° provinciegouverneur, gouverneur, vicegouverneur, adjunct van de gouverneur, provincieraadslid, provinciegriffier;

5° arrondissementscommissaris;

6° een ambt van de rechterlijke orde;

7° staatsraad, assessor van de afdeling Wetgeving of lid van het auditoraat, van het coördinatiebureau of van de griffie van de Raad van State;

8° rechter, referendaris of griffier bij het Grondwettelijk Hof;

9° lid van het Rekenhof;

10° militair in actieve dienst, met uitzondering van de reserveofficieren die opnieuw zijn opgeroepen en van de dienstplichtigen;

11° lid van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag staat van het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering, met uitzondering van de personeelsleden van het onderwijs betreft.Artikel 23, tweede lid, BWHI, bepaalt uitdrukkelijk dat leden van het onderwijzend personeel hun functie kunnen combineren met het lidmaatschap van het Vlaams Parlement of van de Vlaamse Regering.

- Daarnaast zijn er nog andere wetteksten die specifieke onverenigbaarheden opleggen tussen het lidmaatschap van de Vlaamse Regering en andere ambten of mandaten.  Hieronder staan enkele voorbeelden:

- lid van het Europees Parlement: artikel 42 van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement ;

- lid van het Brusselse Hoofdstedelijke Parlement: artikel 10bis, §2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ;

- lid van de regering van de Duitstalige Gemeenschap: artikel 50, tweede lid, van de wet van 31 december 1983 ;

- lid van de deputatie: artikel 47 en artikel 11 van het Provinciedecreet van 9 december 2005.

In de praktijk is het combineren van mandaten dikwijls ook uitgesloten vanwege de verkiesbaarheids- of lidmaatschapsvoorwaarden, bijvoorbeeld op basis van de woonplaats. Zo kan in beginsel niemand lid kan zijn van verschillende gemeenschapsregeringen of verschillende gewestregeringen.

- Artikel 24bis, §3, BWHI machtigt het Vlaams Parlement om bij decreet bijkomende onverenigbaarheden vast te stellen. Op basis van deze bepaling is ondermeer vastgesteld dat het lidmaatschap van de Vlaamse Regering onverenigbaar is met onderstaande functies:

- bestuurder van een publiekrechtelijk vormgegeven EVA: artikel 21, §1, 2°, van het kaderdecreet bestuurlijk beleid

- lid van een strategische adviesraad: artikel 8, 2°, van het decreet van 18 juli 2003 tot regeling van de strategische adviesorganen

- lid van bestuursorganen van verschillende agentschappen en openbare instellingen in de respectieve oprichtingsdecreten;

- lidmaatschap van adviesorganen, beoordelingscommissies enzovoort in de respectieve oprichtingdecreten.

2. Cumulatieverbod

- Het Gemeentedecreet bepaalt dat burgemeesters en schepenen die lid zijn van de Vlaamse Regering, als verhinderd worden beschouwd voor de periode waarin zij dat ambt uitoefenen.Zie artikel 48, 2°, en 61 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005. Ze worden gedurende de periode van verhindering vervangen overeenkomstig artikel 63, respectievelijk artikel 50, van het Gemeentedecreet. Ze mogen de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen niet bijwonen en mogen evenmin het mandaat van gemeenteraadslid verder uitoefenen. Onder dat voorbehoud kan een lid van de Vlaamse Regering tijdens de uitoefening van zijn ministerieel ambt toch benoemd worden tot burgemeester.

Een gelijkaardige regeling is voorzien voor de leden van de Vlaamse Regering die voorzitter of ondervoorzitter zijn van een raad voor maatschappelijk welzijnZie artikel 55 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn..

- Personeelsleden van de Vlaamse overheid en van de Vlaamse openbare instellingen die de eed afleggen als lid van de Vlaamse Regering, genieten van rechtswege een regime van voltijds politiek verlof voor de uitoefening van hun mandaat.Zie artikel 6 van het bijzonder decreet van 7 juli 2009 over de Vlaamse instellingen. Tijdens die periode worden statutaire personeelsleden in non-activiteit geplaatst en wordt de arbeidsovereenkomst van contractuele personeelsleden geschorst.

Het politiek verlof gaat in op de datum van de eedaflegging en eindigt zes maanden na de beëindiging van het mandaat. Als de betrokkene niet in zijn betrekking werd vervangen, neemt hij die betrekking opnieuw op. Als hij wel werd vervangen, wordt hij geaffecteerd in een betrekking overeenkomstig de bepalingen die zijn rechtspositie regelen.

3. Andere wettelijke ontzeggingen

Artikel 23, eerste lid, BWHI bepaalt dat “de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en Ministers van Staat” die vóór de staatshervorming bij wet werden vastgelegd, van overeenkomstige toepassing zijn op de leden van de Vlaamse Regering, wat de ambten betreft die van de Gemeenschap of het Gewest afhangen.

Bijgevolg is ondermeer de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat , alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers van toepassing op de leden van de Vlaamse Regering. Die wet bevat de volgende beperkingen:

- een ministers of gewezen ministers mag in de akten of bekendmakingen in verband met de vennootschappen met winstgevend doel op straffe van een geldboete geen melding maken van zijn titel (artikel 2)

- een gewezen minister mag op straffe van een geldboete, niet verbonden worden (in welke hoedanigheid ook) aan het beheer van of aan het toezicht over een vennootschap die door zijn tussenkomst concessiehoudster van de Staat werd verklaard tijdens zijn ministerschap (artikel 4)

4. Deontologische onverenigbaarheden

De hoedanigheid van lid van de Vlaamse Regering is onverenigbaar met elke activiteit die het lid zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor ofwel:

1° de ambtelijke plichten niet kunnen worden vervuld;

2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt en/of het vertrouwen van het publiek in het ambt wordt aangetast;

3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;

4° een conflict tussen tegenstrijdige belangen ontstaat.

Vlaamse ministers stoppen dus, tijdens de duur van hun opdracht, met de uitoefening van elke andere functie of elk ander mandaat als daardoor belangenvermenging zou kunnen ontstaan.  Als ze dat nodig vinden, kunnen de Vlaamse ministers de minister-president van de Vlaamse Regering over die mogelijke belangenvermenging consulteren.

5. Wettelijk gesanctioneerde gevallen van belangenvermenging

Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor 2 specifieke vormen van belangenvermenging die wettelijk gesanctioneerd worden: de belangenvermenging bij de gunning en uitvoering van overheidsopdrachten en de voorkennis bij de transacties in financiële instrumenten.

- Overheidsopdrachten

Artikel 10 van de overheidsopdrachtenwet De wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten verbiedt (ondermeer) Vlaamse ministers om, op welke wijze ook, rechtstreeks of onrechtstreeks tussen te komen bij de gunning van of het toezicht op de uitvoering van een overheidsopdracht als hij persoonlijk of via een tussenpersoon, belangen heeft in één van de inschrijvende ondernemingen Zie ook: artikel 245 van het Strafwetboek.

Dit belang wordt vermoed te bestaan in de volgende gevallen:

- als de Vlaamse minister bloed- of aanverwant is in de rechte lijn tot de derde graad en in de zijlijn tot de vierde graad, met een der inschrijvers of met ieder ander natuurlijk persoon die voor rekening van hen een directie- of beheersbevoegdheid uitoefent;

- als de Vlaamse minister zelf of bij tussenpersoon eigenaar, medeëigenaar of werkend vennoot is van één van de inschrijvende ondernemingen of als hij er, in rechte of in feite, zelf of bij tussenpersoon, een directie- of beheersbevoegdheid uitoefent;

- als de Vlaamse minister zelf rechtstreeks of onrechtstreeks aandelen of deelbewijzen bezit ter waarde van ten minste 5 % van het maatschappelijk kapitaal van één van de inschrijvende ondernemingen.

Telkens als dergelijk vermoeden van belangenvermenging bestaat moet de Vlaamse minister zich er van onthouden een beslissing te nemen bij delegatie en moet het dossier worden voorgelegd aan de Vlaamse Regering.

- Financiële transacties:

Artikel 25 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten verbiedt het misbruik van voorkennis bij financiële transacties.

Het is iedereen, en dus ook de Vlaamse ministers, die over voorkennis beschikt, verboden:

a) voor eigen of voor andermans rekening, rechtstreeks of onrechtstreeks de financiële instrumenten waarop deze voorkennis betrekking heeft te verkrijgen of te vervreemden of te pogen deze te verkrijgen of te vervreemden;

b) deze voorkennis aan iemand anders mede te delen, tenzij dit gebeurt binnen het kader van de normale uitoefening van zijn ambt;
c) op grond van deze voorkennis iemand anders aan te bevelen om de financiële instrumenten waarop deze voorkennis betrekking heeft, te verkrijgen of te vervreemden of door anderen te doen verkrijgen of vervreemden.

De leden van de Vlaamse Regering zullen er bijzonder over waken in het beheer van hun persoonlijk vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks hieromtrent de grootste terughoudendheid aan de dag te leggen en niet te handelen tijdens hun ambtsperiode in financiele instrumenten van emittenten waaromtrent zij als lid van de regering of bij delegatie beslissingen nemen.

Kris Peeters,

Minister-president van de Vlaamse Regering